U bevindt zich op: Home › Het kabinet
Dit hoofdstuk beschrijft de hoofdlijnen van het kabinetsbeleid op basis van de Miljoenennota 2009.
In 2009:
De internationale economische onrust gaat niet aan Nederland voorbij. Na jaren van wereldwijde hoge economische groei vindt nu een afkoeling plaats. De hoge groei was voor een belangrijk deel te danken aan het feit dat opkomende economieën als China en India zijn gaan meedoen in de wereldwijde markteconomie. Ook de Verenigde Staten en Europa hebben hiervan geprofiteerd. Door de onrust op de financiële markten lijkt de internationale economische situatie zich nu echter in een zorgwekkende richting te ontwikkelen. De crisis op de huizenmarkt en de daaropvolgende kredietcrisis in de Verenigde Staten zijn slecht voor het consumentenvertrouwen en het economisch herstel in Amerika. Het resultaat: een lagere groei in de VS, die ook zijn weerslag heeft op de groei in Europa. De aandelenkoersen staan wereldwijd onder druk. Door de groei van opkomende economieën is de vraag naar olie en grondstoffen sterk toegenomen. Mede hierdoor zijn de prijzen van olie en voedsel het afgelopen jaar fors gestegen.
De Nederlandse economie is internationaal georiënteerd. Een gevolg van deze openheid is dat de internationale turbulentie niet aan Nederland voorbijgaat. Hoewel de groei in 2006 en 2007 nog boven de 3 procent was, is de huidige situatie het best te omschrijven als een afkoelende economie. Terwijl de tekenen van voorspoed nog breed zichtbaar zijn, wordt langzaam in de economische groeicijfers zichtbaar dat het tij keert. De groei in 2008 ten opzichte van 2007 zal vermoedelijk nog rond de 2¼ procent zijn, maar van kwartaal op kwartaal is de groei in 2008 beperkter. Voor 2009 verwacht het Centraal Planbureau (CPB) een groei van 1¼ procent.
Nederland staat er desondanks goed voor. De werkloosheid is in 2008 met 4 procent zeer laag en de verwachting voor de werkloosheid blijft vooralsnog stabiel. Verstandig begrotingsbeleid in de afgelopen jaren werpt nu zijn vruchten af. De overheidsfinanciën zijn gezond en de inkomsten en uitgaven ontwikkelen zich in lijn met de doelen uit het Coalitieakkoord. Nederland kent bovendien een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor buitenlandse investeerders. Door dit alles zijn we in staat de gevolgen van de economische groeivertraging goed op te vangen. De plannen van het kabinet uit het Coalitieakkoord kunnen onverkort worden voortgezet.
Ondanks dat Nederland er goed voor staat, vergt de huidige economische situatie stuurmanskunst van het kabinet en een verstandige reactie van de sociale partners (vakbonden en werkgeversorganisaties). In een afkoelende economie zijn de relatief hoge prijsstijgingen (inflatie) die zich nu aftekenen niet gebruikelijk. Voor 2008 verwacht het CPB dat de inflatie uitkomt op 2¾ procent; voor 2009 wordt gerekend op een inflatie van 3¼ procent. Burgers voelen de inflatie in hun portemonnee. De natuurlijke reactie op dergelijke stijgende prijzen is een roep om hogere lonen. Een verantwoorde loonontwikkeling is echter juist nu belangrijk. Zo wordt een situatie voorkomen waarin prijzen en lonen beurtelings stijgen. Zo'n loon-prijsspiraal is schadelijk voor de economie, omdat Nederlandse producten duurder worden. Door de hoge prijzen wordt Nederland voor bedrijven minder aantrekkelijk in vergelijking met het buitenland. En als bedrijven de oplopende loonkosten niet meer kunnen opbrengen, zal de werkloosheid toenemen. Het kabinet hecht dan ook groot belang aan het inperken van de inflatie en wil de koopkracht van burgers zoveel mogelijk beschermen. Daarom gaat de voorgenomen verhoging van de btw-tarieven per 1 januari niet door. De inflatie komt daardoor naar verwachting uit op 3¼ procent in plaats van 3¾ procent. Daarnaast blijft er reden om te streven naar een verantwoorde loonontwikkeling, bevordering van participatie en andere structurele versterkingen van de economie. Hierover zal met de sociale partners gesproken worden. In die context is het kabinet bereid de WW-premies voor werknemers tot nul terug te brengen. [noot 1: Gezien de bereidheid van het kabinet om de WW-premies te verlagen, zijn alle cijfers in de Miljoenennota berekend op basis van het scenario waarin dit ook daadwerkelijk gebeurt.]
De economische groei van de afgelopen jaren heeft ervoor gezorgd dat de armoede in de wereld is afgenomen. Een andere positieve ontwikkeling is dat landen als Nederland profiteren van goedkope importen en grotere exportmogelijkheden. Maar de trend van globalisering van internationale markten brengt niet alleen kansen (en winnaars) met zich mee - er zijn ook bedreigingen (en verliezers). Doordat bedrijven steeds gemakkelijker te verplaatsen zijn, lijkt het voor nationale overheden steeds moeilijker om op te komen voor publieke belangen en werknemersbelangen. De economische groei gaat gepaard met meer CO2-uitstoot en meer gebruik van schaarse grondstoffen. Ontwikkelingslanden kunnen bovendien niet altijd optimaal van globalisering profiteren. De manieren waarop landen de grote stijging in hun gemiddelde welvaart nationaal verdelen, zijn zeer verschillend. De grote verwevenheid van internationale financiële markten leidt ertoe dat crises die in eerste instantie lokaal lijken, sterker worden verspreid. Het terugdringen van deze bedreigingen voor de inkomensverdeling, financiële stabiliteit en het klimaat vereist goede spelregels en internationale samenwerking. De overheid is er om deze regels vast te stellen, nationaal en internationaal: een krachtige markt vraagt om een krachtige overheid. Het vergt constante inspanning om het juiste evenwicht te vinden.
In eigen land zijn er ook langetermijntrends die om een antwoord vragen.
Door de vergrijzing zal de huidige krapte op de arbeidsmarkt aanhouden. Het
kabinet neemt daarom maatregelen die bijdragen aan een hogere
arbeidsproductiviteit en de deelname aan de arbeidsmarkt vergroten. Dat is
nodig om het niveau van dienstverlening zoals we dat in onze verzorgingsstaat
gewend zijn, op peil te houden. Maar dat niet alleen: arbeidsparticipatie is
ook belangrijk om mensen de mogelijkheid te geven hun talenten te benutten.
Daarnaast draagt participatie - doordat meer mensen meebetalen - voor een
belangrijk deel bij aan een andere langetermijnuitdaging: de opgave om de
overheidsfinanciën op lange termijn financieel gezond (houdbaar) te houden.
Hierdoor kunnen we het huidige niveau aan collectieve voorzieningen
vasthouden zonder in de nabije toekomst de belastingen en premies fors te
moeten verhogen. Om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren
gaan toekomstige 65-plussers met een hoger inkomen vanaf 2011 geleidelijk
meer bijdragen aan de financiering van de verzorgingsstaat (de
houdbaarheidsbijdrage).
Dit is de uitwerking van de afspraken hierover in het Coalitieakkoord.
Het kabinet richt zich met deze en andere maatregelen op het versterken van de structuur van economie en samenleving. Zo kan Nederland ook in de toekomst een samenleving blijven met een slagvaardige overheid, een open economie, een stevig sociaal stelsel en ruimte voor individuele ontplooiing.
Naar bovenOm de arbeidsdeelname te bevorderen neemt het kabinet maatregelen die werken lonender maken. Het kabinet is bereid de WW-premies voor werknemers tot nul terug te brengen in de context van gesprekken met de sociale partners over een verantwoorde loonontwikkeling en andere structurele versterkingen van de economie. Daarnaast wordt, door nieuwe inkomensafhankelijke arbeidskortingen (720 miljoen euro in 2009), de stap naar werken aantrekkelijker. Dit geldt met name voor niet-werkende partners en voor mensen die vanuit een uitkering komen. Om ouderen te stimuleren langer te werken komt er een bonus voor mensen die doorwerken na hun 62e. Deze inkomensafhankelijke doorwerkbonus wordt uitgekeerd in elk jaar dat de desbetreffende persoon (nog) werkt.
Voor jongeren tussen de 18 en 27 jaar wordt het werk-leerrecht ingevoerd. Jongeren zitten hierdoor óf op school óf zijn aan het werk (of een combinatie van beide). Werkgevers worden gestimuleerd om ouderen, langdurig werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te nemen. Dit gebeurt via loonkostensubsidies en premiekortingen voor de arbeidsongeschiktheidsverzekering van werknemers. Met gemeenten zijn bovendien afspraken gemaakt om de bemiddelings- en re-integratiediensten te verbeteren. Deze maatregelen zijn in lijn met het advies van de commissie Arbeidsparticipatie (commissie Bakker).
Een evenwichtig koopkrachtbeeld is niet alleen belangrijk voor een verantwoorde loonontwikkeling en de participatiedoelstelling van het kabinet, maar ook voor een rechtvaardige inkomensverdeling. Bij het opstellen van het Coalitieakkoord is afgesproken dat in 2009 in totaal 750 miljoen euro beschikbaar komt voor het bevorderen van arbeidsparticipatie, het versterken van de economische structuur en voor het verbeteren van de koopkracht. Onder andere dit geld wordt nu ingezet.
Dat de btw-verhoging niet doorgaat, betekent koopkrachtondersteuning voor iedereen in de vorm van lagere prijsstijgingen. Als de WW-premies voor werknemers worden verlaagd naar nul, kunnen werknemers de gevolgen daarvan op hun loonstrook aflezen bij het bedrag dat hij of zij nu aan WW-premie betaalt. Bij een modaal inkomen gaat het om circa 335 euro netto per jaar. Werkende ouderparen profiteren van de inkomensafhankelijke arbeidskortingen; dit kan oplopen tot 450 euro bij half modaal en 1 000 euro bij een modaal inkomen voor de minst verdienende partner. De koopkracht van vooral ouderen en minima wordt door de kabinetsmaatregelen ondersteund. De AOW-tegemoetkoming wordt verhoogd met circa 80 euro bruto. Werken wordt lonender, vooral voor de middeninkomens. Door dit alles ontwikkelt de koopkracht van burgers zich in 2009 - ondanks de lagere economische groei - over een brede linie positief. De extra 'plus' voor werkenden prikkelt mensen om (meer) te gaan werken en draagt daarmee bij aan een sterkere economische structuur.
De lasten voor bedrijven worden in 2009 ook lager. De mkb-winstvrijstelling in de inkomstenbelasting wordt verhoogd. Ook de belastingaftrek voor startende ondernemers gaat omhoog. Daar staat tegenover dat de zelfstandigenaftrek niet stijgt. Daarnaast hebben bedrijven baat bij verlaging van de WW-premies voor werkgevers, een lastenverlichting van 400 miljoen euro (oplopend tot 500 miljoen euro in 2011). Bedrijven profiteren volgend jaar ook van een aanzienlijke incidentele meevaller in de zorgpremies, die voor een flink deel door bedrijven worden betaald. Verder worden de administratieve lasten voor bedrijven verlicht. En belangrijker nog: een verantwoorde loonontwikkeling, indien mogelijk gemaakt door de voorwaardelijke verlaging van de WW-premies, levert een kostenvoordeel op voor bedrijven. Dit stimuleert de groei en de winstgevendheid van het bedrijfsleven.
Naar bovenOnder het motto 'Samen werken, samen leven' heeft het kabinet in 2007 de beleidsprioriteiten gepresenteerd voor deze kabinetsperiode. Het kabinet wil gericht investeren in de kwaliteit van de samenleving, duurzame groei, het innovatief vermogen van de economie en de inzetbaarheid van werknemers. Om de kabinetsdoelstellingen te realiseren moet nog veel werk worden verzet. In 2009 gaat het kabinet daarom met kracht door met het uitvoeren van de plannen uit het Beleidsprogramma. Over de voortgang hiervan leest u meer in het volgende hoofdstuk. Voor 2009 zijn de belangrijkste initiatieven van het kabinet als volgt:
Door onverwacht snel stijgende uitgaven bij een aantal regelingen, heeft het kabinet ook pijnlijke besluiten moeten nemen. Zo zijn in het voorjaar maatregelen getroffen om de onverwacht sterke stijging van de uitgaven aan kinderopvang en binnen de AWBZ, deels als gevolg van de groei aan persoonsgebonden zorgbudgetten (pgb's), af te zwakken. Uitgangspunt is dat de groepen die het nodig hebben een beroep kunnen blijven doen op de regelingen, maar dat oneigenlijk gebruik wordt tegengegaan. Daardoor worden deze regelingen op een verantwoorde manier beter beheersbaar gemaakt. Ondanks deze ingrepen trekt dit kabinet overigens fors meer geld uit voor de kinderopvang en de AWBZ dan voorgaande kabinetten.
Naar bovenDe beleidsprioriteiten van het kabinet voor 2009 passen binnen de financiële afspraken die het kabinet heeft gemaakt voor de periode tot en met 2011. Het begrotingsbeleid geeft de financiële kaders aan waarbinnen keuzes gemaakt moeten worden, zodat de overheidsfinanciën niet alleen nu, maar ook in de toekomst gezond blijven.
In het Coalitieakkoord is afgesproken dat het kabinet streeft naar een structureel (voor economische schommelingen gecorrigeerd) overschot op de begroting van 1 procent van het BBP (Bruto Binnenlands Product, het totaal dat we in Nederland verdienen met de verkoop van diensten en producten) in 2011. Er is sprake van een overschot als er op de begroting meer geld wordt ontvangen dan er wordt uitgegeven. Op die manier kan de overheidsschuld worden afgelost. Een lagere schuld betekent minder rente-uitgaven en draagt zo ook bij aan de gezonde overheidsfinanciën in de toekomst bij toenemende vergrijzing.
|
|
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
|---|---|---|---|---|
|
Feitelijk begrotingssaldo* |
1,2 |
1,2 |
0,8 |
1,1 |
|
Structureel begrotingssaldo* |
0,9 |
1,1 |
0,9 |
1,2 |
|
Raming vorige miljoenennota |
|
|
|
|
|
Feitelijk begrotingssaldo |
0,5 |
0,6 |
0,7 |
1,0 |
|
Structureel begrotingssaldo |
0,4 |
0,7 |
0,8 |
1,1 |
* De ramingen voor 2008 en 2009 zijn gebaseerd op de Macro Economische Verkenning 2009 (MEV) van het CPB. Voor de jaren 2010 en 2011 zijn geen actuele ramingen over de economie beschikbaar. De saldoraming is in deze jaren gebaseerd op technische aannames uit de Economische Verkenning 2008-2011 van het CPB uit september 2007. Daarin wordt onder meer gerekend met een olieprijs van 65 dollar in 2011. Gezien de huidige olieprijs is de saldoraming voor 2010 en 2011 behoedzaam.
In het Coalitieakkoord is ook afgesproken dat het kabinet extra maatregelen neemt als het saldo op de begroting in de buurt komt van een tekort van 2 procent van het BBP. Dankzij solide begrotingsbeleid verkeert de begroting niet in de gevarenzone. Ondanks de afkoelende economie is het haalbaar om een structureel overschot te bereiken op de begroting van 1 procent van het BBP in 2011. Het verwachte overschot op de begroting is in 2008 en 2009 zelfs groter dan eerder werd aangenomen. Dit komt door de hoge olieprijzen, die op de rijksbegroting leiden tot meer inkomsten uit aardgas. De prijs van gas is namelijk gekoppeld aan de prijs van olie. Tegenover dit positieve effect voor de schatkist staat dat de hoge olieprijs de economische groei verder kan vertragen. En minder groei betekent ook minder belasting- en premieopbrengsten. Een hogere olieprijs heeft op termijn dus ook een negatief effect op de inkomsten van de overheid. Dit is een belangrijke reden om de meevallende aardgasbaten niet in te zetten voor extra uitgaven. Ook de begrotingsregels zijn op dit principe gebaseerd.
De overheidsschuld daalt door het toegenomen begrotingsoverschot sneller dan verwacht. De schuld komt in 2009 naar verwachting uit op circa 40 procent van het BBP. Het kabinet verwacht dat de schuld als percentage van het BBP in 2011 gedaald is tot het laagste niveau sinds de schuldcijfers worden bijgehouden (1814).
Het Nederlandse begrotingsbeleid is de afgelopen jaren zeer succesvol gebleken en geniet daarom ook internationaal veel aanzien. De uitgangspunten van het begrotingsbeleid staan sinds de introductie in 1994 nog altijd stevig overeind. De kern van dit beleid is dat het kabinet niet steeds reageert op de nieuwste ontwikkelingen in de economie. Geplande uitgaven gaan gewoon door - ook nu het economisch tegenzit. In diezelfde lijn zouden ook bij meevallende groei de uitgaven niet worden aangepast. Dat zorgt voor veel rust en maakt het kabinetsbeleid voorspelbaar. Het kabinet heeft in het Coalitieakkoord een maximum afgesproken voor de overheidsuitgaven. De scheiding tussen inkomsten en uitgaven voorkomt dat het kabinet extra uitgaven kan doen door de belastingen voor burgers en bedrijven te verhogen. Om de uitgaven onder de afgesproken plafonds te houden maakt het kabinet regelingen waarvan de kosten uit de hand lopen, beter beheersbaar. Voorbeelden hiervan zijn de zorg en de kinderopvang.
De huidige economische situatie vraagt om een verstandige beleidsreactie van het kabinet. Het kabinet heeft ervoor gekozen op korte termijn lastenverlichting te geven om de koopkracht van burgers te beschermen en een loon-prijsspiraal te helpen voorkomen. Daarvoor is ruimte omdat met de afgesproken houdbaarheidsbijdrage een grotere houdbaarheidswinst wordt gerealiseerd dan eerder werd verondersteld. Op deze manier worden tegelijkertijd het kortetermijnbelang voor burgers én bedrijven en het langeretermijndoel van houdbare overheidsfinanciën gediend.
Naar bovenNederland gaat een onzeker jaar tegemoet. De economische onrust zal nog wel enige tijd aanhouden, in de wereld maar ook in Nederland. Nederland heeft de economisch goede jaren gebruikt om klaar te zijn voor de omslag naar de mindere jaren. De werkloosheid is laag en de overheidsfinanciën zijn op orde. Door deze goede uitgangspositie kunnen we de economische tegenwind goed opvangen en zijn we in staat om de uitdagingen in de nabije toekomst aan te gaan.
De hoge inflatie vraagt om ondersteuning van de koopkracht van burgers en de winstgevendheid van het bedrijfsleven. Het kabinet ziet daarom af van de btw-verhoging, maar blijft onder voorwaarden bereid de verlaging van de WW-premies voor werknemers door te zetten. Dat is goed voor de economie en helpt de inflatie te beperken. Samen met maatregelen als de bonus op doorwerken voor ouderen, draagt dit ook bij aan de structurele versterking van de arbeidsparticipatie en de houdbaarheid van de overheidsfinanciën in de toekomst. Het kabinet zet verder in op een sterkere economische structuur door te investeren in innovatie en de kracht van mensen.
Het kabinet zet in 2009 de uitvoering van het voorgenomen beleid voort. Ook in tijden van economische tegenwind bouwen we zo verder aan een samenleving die mensen in staat stelt mee te doen - met een duurzame economische structuur, goede publieke voorzieningen en een rechtvaardige inkomensverdeling. Voor nu, maar ook voor de generaties die na ons komen. Zodat we een onzekere toekomst met vertrouwen tegemoet kunnen treden.
Naar boven