Direct naar (in deze pagina): inhoud, zoekveld of menu.

U bevindt zich op: Home Het kabinet

Pijler 4 Sociale samenhang

In deze paragraaf worden uitgelicht: jeugdzorg, bestrijding kindermishandeling, participatie, onderwijs en zorg en de projecten Kansen voor Kinderen, Iedereen Doet Mee, Aanval op Schooluitval, Deltaplan Inburgering en Actieplan Krachtwijken.

Het kabinet wil de sociale samenhang, de kracht en de kwaliteit van de Nederlandse samenleving versterken. Een samenleving waarin iedereen de kans krijgt mee te doen, waarin iedereen wordt gewaardeerd en waarin ieders talent wordt benut. De inzet en de betrokkenheid van meer mensen maakt het mogelijk sociale voorzieningen zoals de gezondheidszorg, goed en voor iedereen betaalbaar te houden. Op veel gebieden werkt het kabinet aan versterking van de sociale samenhang. Bijvoorbeeld door de kansen voor mensen te vergroten in het onderwijs, bij inburgering en op het gebied van werk en arbeidsparticipatie. En door problemen van mensen aan te pakken in gezinnen, op scholen en in wijken.

Met de uitvoering van de zogenoemde 'brede participatieagenda' krijgen mensen nu meer kans om mee te doen. Op de arbeidsmarkt, in het onderwijs en door integratie en inburgering. Hiervoor is geld beschikbaar gesteld, zijn afspraken gemaakt met maatschappelijke partners en is waar nodig de regelgeving aangepast. Het kabinet voert in dit kader vijf projecten uit op het gebied van werk (Iedereen Doet Mee), onderwijs (Aanval op Schooluitval), opvoeding (Kansen voor Kinderen), inburgering (Deltaplan Inburgering) en de wijkaanpak (Actieplan Krachtwijken). Gemeenten en andere maatschappelijke partners moeten de plannen nu verder uitvoeren, waarbij het kabinet hen op de voet volgt en hen helpt om eventuele obstakels uit de weg te ruimen.

In deze paragraaf wordt specifiek uitgelicht: jeugdzorg, participatie en onderwijs, en de projecten Kansen voor Kinderen, Iedereen Doet Mee, Aanval op Schooluitval, Deltaplan Inburgering en Actieplan Krachtwijken.

Jeugd en Gezin

Elk kind verdient de kans op een goede opvoedings- en opgroeisituatie. Het kabinet wil voorkomen dat het aantal jeugdigen met problemen toeneemt. Daarom zet het kabinet in op de oprichting van Centra voor Jeugd en Gezin in de gemeenten, op beperking van de wachtlijsten voor de jeugdzorg en op het tegengaan van kindermishandeling. Hieronder wordt ingegaan op deze doelstellingen.

Doelstelling 31

Doelstelling 2011: De wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg blijven beperkt tot maximaal negen weken na indicatiestelling en kinderbeschermingsmaatregelen kunnen sneller worden ingezet.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • het aantal wachtenden in de jeugdzorg dat langer dan negen weken op een wachtlijst staat wordt in 2009 teruggebracht;
  • provincies krijgen meer ruimte om te sturen op effectieve en doelmatige zorg;
  • in de jeugdbescherming wordt 60 procent van alle gevallen afgehandeld volgens de normen van het programma Beter Beschermd.

In 2009 worden de beschikbare middelen voor de Bureaus Jeugdzorg en voor het jeugdzorgaanbod samengevoegd. Provincies kunnen hierdoor het beschikbare budget zelf verdelen en zo beter sturen op een doelmatige inzet en verdeling van deze middelen over de bureaus jeugdzorg en het zorgaanbod.

Daarnaast vereenvoudigt het kabinet het indicatiebesluit, waardoor zorgaanbieders meer mogelijkheden krijgen om maatwerk te leveren en efficiënt te werken. Dit biedt de provincies meer sturingsmogelijkheden bij de inkoop van zorg. Voor het zorgaanbod is in 2009 870 miljoen euro beschikbaar.

In 2009 wordt een nieuwe werkwijze ingevoerd bij de kinderbescherming. Daardoor kunnen de betrokken organisaties doelmatiger werken en daarmee de doorlooptijd bij meldingen verkorten. In 2010 wordt in 75 procent van de gevallen binnen twee maanden na melding een uitspraak over een kinderbeschermingsmaatregel gedaan.

Het kabinet ligt op schema met halen van de doelstelling.

Naar boven

Project Kansen voor Kinderen

Box 5: Project Kansen voor Kinderen

Het kabinet streeft ernaar dat er in 2011 in elke gemeente een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) is. Dit centrum is een centraal punt waar ouders en jeugdigen terecht kunnen voor advies bij opgroei- en opvoedingsvragen en voor hulp. De CJG's werken samen met de Bureaus Jeugdzorg en met het onderwijs, en rond scholen in het bijzonder met de zorg- en adviesteams. Vanuit het CJG wordt ook licht pedagogische hulp geboden en vindt coördinatie van zorg plaats.      
       
Om het doel van een landelijk dekkend netwerk van CJG's in 2011 te realiseren is voor 2009 100 miljoen euro extra aan de gemeenten toegekend. Dit bedrag loopt op tot 200 miljoen euro per jaar via de J&G-begroting en het Gemeentefonds samen. Gemeenten werken al hard aan de totstandkoming van CJG's. De doelstelling van de minister voor Jeugd en Gezin is dat 30 procent van de gemeenten in 2009 een CJG heeft.       
       
De voortgang van het project ligt op schema.


Naar boven

Bestrijding kindermishandeling

Doelstelling 32

Doelstelling 2011: Bestrijding kindermishandeling door versterking van preventie, signalering en ingrijpen.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • verkorting van de doorlooptijden van de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling;
  • toepassing van meldcodes waarin is aangegeven wat professionals kunnen doen bij een vermoeden van kindermishandeling.

Het kabinet gaat kindermishandeling intensiever bestrijden. Hiervoor wordt ingezet op preventie, signalering en tijdig ingrijpen. Het streven is dat in 2009 52 procent van de professionals over een meldcode beschikt. In een meldcode wordt stapsgewijs aangegeven wat professionals kunnen doen bij een vermoeden van kindermishandeling. Ook moet er in vijftien regio's een sluitende aanpak van kindermishandeling komen. Voor de uitvoering van het actieplan kindermishandeling is in de periode 2008-2010 17 miljoen euro beschikbaar.

Daarnaast is het streven dat de doorlooptijd bij de Advies- en Meldpunten Kindermishandeling voor vijftig procent van de gevallen maximaal tien weken bedraagt en dat de gemiddelde doorlooptijd tien weken is. Er komen voor deze meldpunten nieuwe normen voor wachttijden.

Het kabinet ligt op schema met het halen van de doelstelling.

Naar boven

Participatie

Doelstelling 33

Doelstelling 2011: Het kabinet wil een substantiële verhoging van de arbeidsparticipatie. Van 70 procent nu moet deze toegroeien naar 80 procent in 2016. In deze kabinetsperiode zal een belangrijke stap in die richting worden gezet.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • introductie van een werk-leerrecht voor jongeren tot 27 jaar;
  • introductie inkomensafhankelijke combinatiekorting, naast verhoging arbeidskorting en nadere toespitsing daarvan;
  • invoering van de doorwerkbonus voor mensen die langer doorwerken na 62 jaar;
  • loonkostensubsidies voor indienstneming (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten en WW'ers tot 50 jaar die langer dan een jaar werkloos zijn; 
  • premiekorting gedurende drie jaar voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden van 50 jaar en ouder;
  • werkregeling jonggehandicapten waardoor participatie voor deze doelgroep voorop komt te staan;
  • de mogelijkheid om vrijwillig te kiezen voor geheel of gedeeltelijk uitstel van de invoeringsdatum AOW;
  • activiteiten van de Taskforce DeeltijdPlus om de arbeidsdeelname van vrouwen in uren te verhogen;
  • invoering van Participatiebudget voor gemeenten, waarin middelen voor re-integratie, inburgering en educatie worden gebundeld;
  • nieuwe regels met betrekking tot passende arbeid in de WW;
  • realisaties van Locaties voor Werk en Inkomen met integrale dienstverlening door gemeenten en UWV/CWI.

Toelichting

Het kabinet streeft ernaar de arbeidsparticipatiegraad te verhogen tot 80 procent in 2016. Om dit te bereiken zijn er afspraken gemaakt met sociale partners en gemeenten. In 2009 worden verschillende arbeidsparticipatieverhogende maatregelen van kracht. Deze zijn er enerzijds op gericht om werken aantrekkelijker te maken door werken lonender te maken. Anderzijds krijgen gemeenten en UWV/CWI meer instrumenten in handen om mensen vanuit een uitkering naar werk te re-integreren.
Daarnaast zal het kabinet nog in 2008 een plan van aanpak presenteren, zoals aangekondigd in de kabinetsreactie op het rapport van de commissie Arbeidsparticipatie. Hierin staan aanvullende maatregelen om de arbeidsparticipatie op de lange termijn te verhogen.

Om de doelstelling te halen moeten de voorgenomen acties voortvarend worden uitgewerkt.

Naar boven

Project Iedereen Doet Mee

Box 6: Project Iedereen Doet Mee

De inzet van het kabinet is het verhogen van de participatie in Nederland; via arbeidsparticipatie waar dit mogelijk is en via maatschappelijke participatie voor mensen voor wie een betaalde baan (nog) geen reëel perspectief is. Een hogere arbeidsparticipatie geeft meer mensen de kans om mee te doen aan de steeds snellere maatschappelijke ontwikkelingen, versterkt de sociale samenhang en leidt tot verbreding van het draagvlak van onze sociale voorzieningen. Het doel is om in deze kabinetsperiode een substantiële stap naar 80 procent arbeidsparticipatie te zetten.

Benutten van arbeidspotentieel

De commissie Arbeidsparticipatie adviseert het kabinet bovendien om maatregelen te nemen die het onbenutte arbeidspotentieel activeren en meer arbeidsparticipatie stimuleren. Anders dreigt een structureel tekort aan arbeidskrachten. Dit ondermijnt de welvaart en economische groei, bedreigt de betaalbaarheid van de verzorgingsstaat en leidt tot personeelstekorten in de publieke sectoren. Vooral bij ouderen, vrouwen en allochtonen is nog sprake van onbenut arbeidspotentieel. Daarnaast is het voor jongeren belangrijk om zonder uitval de overstap van onderwijs naar arbeidsmarkt te maken.

Het kabinet streeft ernaar om de werking van de arbeidsmarkt te verbeteren door de inzetbaarheid van mensen te vergroten. Hierdoor kunnen mensen behouden worden voor de arbeidsmarkt en ook sneller doorstromen. De vraag en het aanbod van arbeid op regionaal niveau kan sneller en beter bij elkaar worden gebracht, als de publieke arbeidsbemiddeling zich concentreert in Locaties voor Werk en Inkomen. Het kabinet heeft hierover met gemeenten en uitvoeringsinstellingen afspraken gemaakt. Het kabinet wil zich niet neerleggen bij de lage participatie van jonggehandicapten. Als er uitgegaan wordt van wat deze jongeren nog wél kunnen, is er heel veel mogelijk. Daarom ontwikkelt het kabinet plannen tot een meer activerende Wajong, waarin veel steviger wordt ingezet op de re-integratie van Wajongers en een verbeterde aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt door onder andere een gerichte werkgeversbenadering. Het participatiebudget dat de financiële middelen voor re-integratie, inburgering en educatie bundelt, geeft gemeenten bovendien meer ruimte voor maatwerk bij de re-integratie. De overheid heeft zelf ook een taak als het gaat om het 'meedoen' van arbeidsgehandicapten en jonggehandicapten. Het kabinet spant zich daarom in om in 2009/2010 150 Wajongers en 100 WSW'ers in dienst te nemen bij het Rijk.

Activiteiten in 2009

  • De arbeidsmarktpositie van ouderen is nog problematisch, met name wanneer ze hun baan verliezen en op zoek moeten naar ander werk. Het kabinet neemt in 2009 diverse maatregelen die het vervroegd uittreden van ouderen ontmoedigen en de kans op een baan voor ouderen vergroten.
  • Om vrouwen te stimuleren meer te gaan werken is de Taskforce DeeltijdPlus actief die met voorstellen zal komen om grotere deeltijdbanen aantrekkelijk te maken. Daarnaast neemt het kabinet maatregelen om meer werken voor vrouwen ook financieel aantrekkelijk te maken.
  • Om uitval van jongeren te voorkomen wordt er een leer-werkrecht voor jongeren van 18 tot 27 jaar ingevoerd.
  • Om participatie van allochtonen te bevorderen zal een campagne gericht op positieve beeldvorming van allochtonen worden gestart. Daarnaast wordt de inzet van diversiteitsmanagement binnen en buiten de overheid gestimuleerd. De beste methode van integratie is een baan en daarom krijgen gemeenten via het Participatiebudget de mogelijkheid om inburgering, educatie en re-integratie met elkaar te verbinden.

Niet voor iedereen is een betaalde baan (direct) een reëel perspectief. Dat geldt bijvoorbeeld voor mensen die door handicap of ziekte volledig arbeidsongeschikt zijn. Voor deze groepen is het belangrijk dat ze niet geïsoleerd raken en blijven participeren in de samenleving. Daarom stimuleert het kabinet vrijwilligerswerk en mantelzorg. Andere burgers participeren te weinig in de samenleving door armoede- en schuldenproblematiek of door gebrekkige integratie. Het kabinet intensiveert de bestrijding van armoede, waarbij de aandacht vooral is gericht op het tegengaan van armoede onder kinderen. Ook zijn de kredietregels aangescherpt en wordt 'rood' staan ontmoedigd.

Om het project te laten slagen moeten de voorgenomen acties voortvarend worden uitgewerkt.


Naar boven

Onderwijs

Om jongeren de kans te bieden op ontwikkeling en deelname aan de samenleving, is goed onderwijs met voldoende goed onderwijspersoneel nodig. Het kabinet wil de kwaliteit van het onderwijs verbeteren en wil dat de aansluitingen tussen basisonderwijs, voortgezet onderwijs, beroepsonderwijs en werk versoepelen. De leraren worden beter beloond en het tekort aan leraren wordt teruggedrongen. De problemen die kinderen hebben op school, worden aangepakt. Zo wordt het aantal kinderen dat hun schoolopleiding niet afmaakt, teruggedrongen (project Aanval op Schooluitval).

Doelstelling 37

Doelstelling 2011: Verhogen van de kwaliteit van onderwijs onder meer door basisonderwijs, voortgezet onderwijs en beroepsonderwijs naadloos aan te laten sluiten op elkaar en op het hoger onderwijs.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • De gemiddelde leerprestaties voor alle groepen leerlingen voor taal en rekenen moeten in 2011 aantoonbaar zijn gestegen. Voor alle schoolniveaus worden standaarden vastgesteld en ingevoerd voor taal en rekenen;
  • De doorstroming tussen de verschillende opleidingsniveaus moet worden verbeterd. Dit gebeurt onder meer door experimenten in het mbo en een experiment voor de oprichting van een tweejarige hbo;
  • Leerlingen die extra zorg nodig hebben, krijgen passend onderwijs. Hiervoor worden regionale netwerken opgericht. In 2009 wordt 20 procent hiervan gerealiseerd.

Toelichting

Het kabinet heeft veel in gang gezet om de kwaliteit van het onderwijs verder te verbeteren. Het doel is om de opbrengst van het onderwijs te verhogen, in het bijzonder dat van het taalen rekenonderwijs. In 2009 stelt het kabinet in alle sectoren referentieniveaus vast voor taal en rekenen/wiskunde. In het mbo wordt voor rekenen en taal centrale examinering ingevoerd. Daarnaast wordt het taal- en rekenonderwijs geoptimaliseerd op de lerarenopleiding voor het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs. In totaal investeert het kabinet in deze kabinetsperiode 115 miljoen euro in rekenen en taal.

Voor veel leerlingen is de overgang van vmbo naar mbo of van het mbo naar hbo moeilijk. Op deze momenten vindt dan ook vaak voortijdig schooluitval plaats. Het kabinet wil deze overgangen beter en efficiënter maken. In 2009 worden daarom experimenten gestart voor het verbeteren van de overgang van het vmbo naar mbo en voor tweejarige hbo-opleidingen om de doorstroom vanuit het mbo te verbeteren.

Het kabinet wil ook de kwaliteit en de organisatie verbeteren van het onderwijs aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben in het basisonderwijs en voortgezet onderwijs. Om dit te bereiken krijgen schoolbesturen de verantwoordelijkheid om voor hun leerlingen een passend onderwijszorgaanbod te verzorgen. Hiervoor gaan scholen samenwerken in regionale netwerken. In 2011 moeten er in het hele land regionale samenwerkingsverbanden tussen basisonderwijs, voortgezet onderwijs en (voortgezet) speciaal onderwijs zijn. In 2009 moet 20 procent van deze samenwerkingsverbanden gerealiseerd worden.

De doelstelling ligt op koers. Om de doelstelling op koers te houden zal in 2009 samen met het onderwijsveld voortvarend worden gewerkt aan de invoering van referentieniveaus voor taal en rekenen en aan de realisatie van samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs.

Naar boven

Project Aanval op Schooluitval

Box 7: Project Aanval op Schooluitval

Schooluitval is een groot maatschappelijk, sociaal én individueel probleem. Het kabinet wil het aantal schoolverlaters terugbrengen van 53 100 in het schooljaar 2006-2007 tot 35 000 in het schooljaar 2010-2011. Een greep uit de maatregelen in 2009:

  • De overgang van leerlingen van het vmbo naar het mbo krijgt extra aandacht. Per 1 augustus 2008 zijn 26 samenwerkingsprojecten van vmbo-scholen en mbo-instellingen gestart. Hierdoor ontstaat één nieuwe geïntegreerde beroepsopleiding. Leerlingen hoeven niet over te stappen. Ze krijgen op één locatie les, met één pedagogisch-didactische aanpak, met eenzelfde team vmbo- en mbo-docenten;
  • Het kabinet heeft per 1 augustus 2008 de kwalificatieplicht ingevoerd, waarbij jongeren tot hun 18e moeten doorleren op school of in een leer-werktraject, tenzij ze een startkwalificatie op zak hebben;
  • Er komt extra aandacht voor loopbaanoriëntatie, studiekeuze en begeleiding van leerlingen. Het kabinet zet in op kwaliteitverbetering, professionalisering en het inventariseren en verspreiden van good practices. Deze kunnen op het gebied liggen van bijvoorbeeld mentoring en coaching;
  • Er komt meer en betere zorg op school. Elke jongere die zorg nodig heeft, moet die kunnen krijgen. De ervaring leert dat een Zorg Advies Team (ZAT) een goede manier is om de interne zorg voor een jongere af te stemmen op de externe zorg. Hierbij spelen ook de Centra voor Jeugd en Gezin een belangrijke rol;
  • Het onderwijs wordt aantrekkelijker door meer sport en cultuur. Vernieuwende onderwijsvormen op het gebied van sport en cultuur kunnen het onderwijs voor jongeren aantrekkelijker maken;
  • Er komen meer maatwerktrajecten om uitval te voorkomen. Maatwerktrajecten zijn gericht op jongeren tot 23 jaar uit de zwakkere groepen die wel een startkwalificatie kunnen halen. In deze trajecten werken scholen en onderwijsinstellingen intensief samen met bedrijven, kenniscentra, gemeenten en de Centra voor Werk en Inkomen (CWI). Met geld uit het Fonds Economische Structuurversterking (FES) worden circa 11 000 van deze maatwerktrajecten gerealiseerd;
  • Er komen 20 000 EVC-trajecten (Erkennen van Verworven Competenties) voor schooluitvallers van 18 tot 23 jaar zonder startkwalificatie. Met deze ervaringscertificaten kunnen deze jongeren toch een plek op de arbeidsmarkt krijgen;
  • Ook zijn maatregelen genomen om de zogenoemde groenpluk tegen te gaan. Jongeren gaan dan zonder afgeronde opleiding aan de slag in bijvoorbeeld de handel, dienstverlening en horeca. Met werkgevers zijn tijdens de participatietop afspraken gemaakt om jongeren een opleidingstraject aan te bieden, als ze werken zonder kwalificatie. Hierdoor kunnen deze jongeren op langere termijn een goede plek op de arbeidsmarkt behouden.

Om schooluitval tegen te gaan zijn vierjarige convenanten afgesloten met scholen en gemeenten in 39 regio's. Deze regio's hebben ieder een Regionaal Meld- en Coördinatiepunt dat de schooluitval in de regio registreert en de aanpak coördineert. De uitval moet de komende vier jaar met 40 procent verminderen. Scholen worden gestimuleerd om dit probleem aan te pakken. Ze krijgen 2000 euro extra voor elke leerling die minder uitvalt. Hiervoor is in 2009 39 miljoen euro extra beschikbaar, oplopend tot 71 miljoen euro in 2011. Hiervan is circa 22 miljoen euro voor de convenanten. Het budget voor de speciale programma's voor schooluitvallers is in 2009 circa 15 miljoen euro, waarvan 4,8 miljoen euro voor de vier grote steden.
 
De voortgang van het project ligt op schema.



Doelstelling 38

Doelstelling 2011: Voldoende gekwalificeerd onderwijspersoneel, nu en in de toekomst.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • betere beloning voor leraren door snellere financiële doorgroeimogelijkheden;
  • versterking van de positie van leraren door een lerarenbeurs voor scholing waaruit leraren een opleiding kunnen volgen tot een hoger kwalificatieniveau;
  • terugdringen van het tekort aan leraren door snellere instroom en doorstroom van leraren en inzet van mensen met een onderwijskwalificatie die nu buiten het onderwijs werken (de 'stille reserve').


De kwaliteit van leraren is essentieel voor de kwaliteit van het onderwijs. Door de vergrijzing dreigt de komende jaren een tekort aan leraren, vooral in het voortgezet onderwijs. In het najaar van 2007 heeft het kabinet het Actieplan LeerKracht van Nederland opgesteld. In dit actieplan zijn maatregelen genomen om het dreigende kwalitatieve en kwantitatieve tekort aan leraren te voorkomen. In 2009 wordt een begin gemaakt met de uitvoering van het actieplan. De belangrijkste maatregelen zijn:

  • De waardering voor het leraarschap moet worden verhoogd. De leraar moet meer ruimte krijgen voor zijn belangrijkste taak: goed en gedegen onderwijs geven. Hiervoor wordt de 'professionele ruimte' van leraren vergroot;
  • Leraren worden beter beloond, met een sterk accent op opleiding en prestaties. Leraren krijgen hierdoor een beter loopbaanperspectief. Zo worden de salarislijnen in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie ingekort, zodat leraren een snellere inkomensgroei kennen. Voor leraren in het voortgezet onderwijs en de beroeps- en volwasseneneducatie in de Randstadregio's en Almere komt extra geld beschikbaar;
  • Meer oudere leraren in het onderwijs houden. De sociale partners hebben toegezegd om vóór 2010 in hun cao-overleg afspraken te maken over een regeling om oudere leraren langer aan het werk te houden;
  • In samenspraak met lerarenopleidingen, scholen en instellingen werken aan de ontwikkeling van de kwaliteitsagenda voor het opleiden van leraren. De kwaliteit zal worden verhoogd door ontwikkeling van gezamenlijke eindtermen en het verder professionaliseren van leraren die al actief zijn in het onderwijs;
  • Vanaf 1 augustus 2008 is er een lerarenbeurs voor scholing. Elke leraar kan eenmaal in zijn loopbaan een beroep doen op deze lerarenbeurs om een opleiding te volgen voor een hoger kwalificatieniveau. Hiermee wordt de kwaliteit van leraren vergroot.

In 2009 wordt hiervoor ruim 400 miljoen euro uitgetrokken. Dit bedrag loopt op tot ruim 1 miljard euro per jaar in 2020.

De doelstelling ligt op koers. Om de doelstelling op koers te houden, moeten sociale partners goede afspraken maken over verbetering van het loopbaanperspectief en vernieuwing van het levensfasebewust personeelsbeleid. Daarnaast moet de kwaliteit van de leraren(opleidingen) en de instroom in opleiding en beroep worden vergroot.

Naar boven

Project Deltaplan Inburgering

Box 8: Project Deltaplan Inburgering

Een goede beheersing van de Nederlandse taal en kennis van de Nederlandse samenleving is noodzakelijk als een burger actief wil deelnemen aan de samenleving. Momenteel blijven de resultaten van de inburgering achter; meer dan de helft van de oud- en nieuwkomers behaalt niet de beoogde niveaus.
 
Het kabinet heeft daarom het Deltaplan Inburgering in het leven geroepen. Dit project moet de kwaliteit van de inburgering verbeteren en een groter aantal inburgeraars een inburgeringtraject succesvol laten afsluiten.

Activiteiten in 2009

  • In de periode 2008-2011 moeten gemiddeld 60 000 mensen per jaar met een inburgeringsprogramma starten. Omdat de nieuwe Wet inburgering heeft geleid tot stagnatie in de deelname aan inburgeringstrajecten, zullen de gemeenten in 2009 alles op alles moeten zetten om deze vertraging uit vorige jaren in te lopen;
  • Het kabinet wil dat in 2009 40 procent van de inburgeringsprogramma's duaal zijn, met een oploop tot 80 procent in 2011. Duaal wil zeggen dat de inburgering wordt gekoppeld aan re-integratie, werk, ondernemerschap, een (beroeps)opleiding, vrijwilligerswerk of opvoedingsondersteuning;
  • Duale trajecten moeten de wisselwerking tussen inburgering en deelname aan de samenleving verbeteren. Daarom worden vanaf 2009 de inburgeringbudgetten gebundeld met de budgetten voor re-integratie en educatie. Dit geeft gemeenten de ruimte om met combinaties van maatregelen 'op maat' de participatie van inburgeraars te bevorderen;
  • Met een reeks praktijkonderzoeken worden verbeterde methodieken voor het onderwijs in het Nederlands als tweede taal en voor praktijkleren verspreid onder gemeenten en aanbieders van inburgeringstrajecten. Daarmee moet worden bereikt dat het onderwijs beter wordt afgestemd op het niveau van de cursisten;
  • Het is de bedoeling dat het slaagpercentage voor het inburgeringsexamen omhoog gaat naar 70 procent door het verbeteren van de lesmethodes en het aanbieden van duale trajecten.
     
    Om deze doelen te bereiken is in 2009 90 miljoen euro extra beschikbaar, met een oploop tot 140 miljoen euro in 2011. Met deze extra middelen is in 2009 in totaal 425 miljoen euro beschikbaar voor inburgering. Van de 90 miljoen euro in 2009 is 25 miljoen voor de duale trajecten. Er is 48 miljoen beschikbaar om ervoor te zorgen dat meer mensen gaan deelnemen aan een inburgeringsprogramma.
     
    Om het project te laten slagen moeten gemeenten voortvarend te werk gaan in de uitvoering van de Wet inburgering.

Naar boven

Kwaliteit van de gezondheidszorg

Doelstelling 45

Doelstelling 2011: Kwaliteit van de zorg zichtbaar verhogen in 2011 ten opzichte van 2006 doordat:

  • de vermijdbare schade in de ziekenhuizen in 2012 met 50 procent daalt;
  • burgers op kiesBeter.nl voor tachtig aandoeningen kunnen zien over welke kwaliteit de ziekenhuizen bieden;
  • cliënten 90 procent van de zorgaanbieders in de AWBZ een voldoende geven voor de kwaliteit van de zorg;
  • de rechten en plichten van patiënten en cliënten in 2011 wettelijk zijn vastgelegd en de informatie hierover voor iedereen toegankelijk is.

Beoogde effecten en activiteiten in 2009:

  • een veiligheidsmanagementsysteem in alle ziekenhuizen;
  • op kiesBeter.nl is eind 2009 voor 24 aandoeningen inzichtelijk welke kwaliteit ziekenhuizen bieden;
  • eens per twee à drie jaar cliëntervaringsonderzoeken houden. Hiermee krijgt de overheid zicht op het percentage zorgaanbieders in de AWBZ dat een voldoende krijgt voor de kwaliteit van zorg;
  • de rechtspositie van patiënten en cliënten versterken. Er komt een wetsvoorstel 'Zeven rechten voor de cliënt in de zorg' en een nieuw systeem voor subsidies aan organisaties van patiënten, gehandicapten en ouderen.

Toelichting

In 2004 waren er 30 000 vermijdbare incidenten in ziekenhuizen en in 2006 waren er 19 000 vermijdbare ziekenhuisopnamen. In 2012 moet het vermijdbare aantal sterfgevallen met 50 procent zijn gedaald van 1735 naar 867 per jaar. Om deze aantallen terug te brengen is voor het veiligheidsprogramma 9,3 miljoen euro uitgetrokken. Dit programma is in 2008 gestart en eindigt in 2012. Een onderdeel hiervan is dat in 2009 alle ziekenhuizen een zogenoemd veiligheidsmanagementsysteem hebben ingevoerd.

Informatie over de kwaliteit van ziekenhuizen wordt verbeterd. Op kiesBeter.nl kan voor de behandeling van steeds meer aandoeningen een vergelijking worden gemaakt tussen ziekenhuizen. Ook informatie over verpleeg- en verzorgingsinstellingen, thuiszorg en een deel van de GGZ-instellingen is vanaf dit najaar te raadplegen via kiesBeter.nl. De overige sectoren volgen later. In 2011 zal voor alle instellingen in de AWBZ inzicht in kwaliteit beschikbaar zijn. De kwaliteit van de zorgaanbieders in de AWBZ wordt eens in de twee à drie jaar onderzocht met cliëntervaringsonderzoeken.

Het kabinet wil de positie van de cliënt versterken om zorgaanbieders en verzekeraars te prikkelen tot kwaliteitsverbetering. In 2009 treft het kabinet voorbereidingen om de rechten en plichten van cliënten en zorgaanbieders wettelijk vast te leggen. Het is de bedoeling dat de nieuwe wetgeving in 2011 in werking treedt. De onafhankelijke geschilbeslechting krijgt hierbij een impuls. Een cliënt kan snel en laagdrempelig een uitspraak krijgen, als een instelling zijn klacht niet goed afhandelt.

De positie van de circa 220 patiënten-, gehandicapten- en ouderenorganisaties wordt versterkt door een nieuw subsidiesysteem dat meerjarige zekerheid biedt. Hiervoor is circa 40 miljoen euro beschikbaar.

Het kabinet ligt met het halen van de doelstelling op schema. De maatregelen zijn echter pas succesvol, als de burger hiervan de positieve effecten merkt.

Naar boven

Project Actieplan Krachtwijken

Box 9: Project Actieplan Krachtwijken

Veertig wijken worden binnen acht tot tien jaar omgevormd tot vitale wijken, waar het prettig wonen en werken is en waarin mensen betrokken zijn bij de samenleving. Het kabinet kan dit niet alleen: het werkt samen met gemeenten, woningcorporaties, bewoners en lokale partijen als scholen, welzijnsinstellingen en ondernemers.

Wijkactieplannen

De afgelopen periode hebben de gemeenten veertig 'wijkactieplannen' opgesteld samen met bewoners, corporaties en andere lokale partijen. Hierin staat hoe de problemen op onder meer de terreinen wonen, werken, leren en opgroeien, integratie en veiligheid, gezamenlijk zullen worden aangepakt en welke doelstellingen worden nagestreefd. Omdat elke wijk andere problemen heeft, is dit voor elke wijk verschillend. In de charters tussen stad en Rijk wordt beschreven wat zowel de gemeente als het Rijk bijdragen aan het behalen van de doelstellingen.
 
In de zomer van 2008 is de laatste charter afgesloten. Hiermee is de uitvoering van de wijkenaanpak overal op stoom gekomen. De inzet van het kabinet is erop gericht vaart te houden in de uitvoering van de wijkenaanpak. Ook helpt het kabinet gemeenten, lokale partijen en bewoners om tot zichtbare verbeteringen en resultaten te komen.

Concrete activiteiten in 2009 zijn:

  • Uitvoeren wijkactieplannen en charters. Alle partijen zijn aan de slag gegaan met de uitvoering van de wijkactieplannen en de charters. Inzet van het rijk is om alle afspraken voortvarend op te pakken;
  • Stimuleren bewonersparticipatie. Het kabinet trekt volgend jaar extra middelen uit om bewonersparticipatie te stimuleren. Samen met het Landelijk Samenwerkingsverband Aandachtswijken en de Woonbond is een vouchersysteem ontwikkeld. Met deze 'waardebonnen' krijgen bewoners zeggenschap over de keuze, financiering en uitvoering van hun initiatief;
  • Resultaten experimenten. In 2009 komen de tussenresultaten van zeven experimenten beschikbaar die het Rijk samen met gemeenten is gestart. De experimenten zoeken naar antwoorden op problemen waar wijken al jaren mee worstelen;
  • Monitoring en bestuurlijk overleg. In 2009 bezoekt de minister voor WWI weer alle veertig wijken. Via gesprekken met bewoners, lokale partijen en bestuurlijk overleg gaan gemeente en kabinet na of de verbetering van de leefbaarheid in de wijk op schema ligt en of de ingezette maatregelen het gewenste effect hebben. De voortgang wordt nauwkeurig gevolgd in gemeentelijke voortgangsrapportages en bestuurlijke overleggen. Op termijn komen er ook resultaten uit de CBS-outcomemonitor en het langetermijnonderzoek van CBS en SCP naar de ontwikkeling van individuele bewoners;
  • Preventie. Met behulp van een aanvullend preventiebudget van 60 miljoen euro voor 2009 en 2010 wil het kabinet voorkomen dat er nieuwe probleemwijken ontstaan. In dat kader wordt ook onderzocht of problemen vanuit de veertig wijken zich niet naar de omliggende wijken verplaatsen: het zogenaamde 'waterbedeffect'.

Voor het verwezenlijken van de wijkaanpak heeft het kabinet 300 miljoen euro extra vrijgemaakt, waarvan 115 miljoen euro in 2009. Het grootste deel (157 miljoen euro) is bedoeld voor het financieel ondersteunen van de wijkactieplannen. Dit komt boven op de extra middelen voor investeringen als de Centra voor Jeugd en Gezin, brede scholen en wijkagenten, waarvan een deel van de veertig wijken natuurlijk ook profiteert. Naast de wijkaanpak is eveneens geld beschikbaar voor bewonersinitiatieven (75 miljoen euro in de kabinetsperiode).
 
De doelstelling van de wijkenaanpak is ambitieus. Het gaat immers om wijken waarin het al decennia niet goed gaat. Het is de inzet van het kabinet om door een nieuwe manier van samenwerken en een gezamenlijke inzet het tij te keren, zodat de krachtwijken hun achterstanden inhalen. Deze inhaalslag moet binnen acht tot tien jaar zichtbaar worden.
 
De voortgang van het project ligt op schema.



Naar boven