U bevindt zich op: Home › Het kabinet
Op 14 juni 2007 presenteerden minister-president Balkenende en de vice-minister-presidenten Bos en Rouvoet het Beleidsprogramma 2007-2011. Het programma is de concrete uitwerking van het coalitieakkoord.
Op 21 mei 2007 vond er in Utrecht een bijzondere ontmoeting plaats. Vrijwel het hele kabinet ging in gesprek met 250 Nederlanders uit alle delen van ons land. De dialoog van de eerste 100 dagen van 'samen werken aan Nederland', werd zo voor iedereen heel tastbaar en zichtbaar.
Maar het gaat om meer dan honderd dagen. Het is een aanpak die het kabinet zich voor de hele kabinetsperiode ten doel heeft gesteld. In het Coalitieakkoord staat duidelijk wat voor een samenleving het kabinet voor ogen staat: een actieve internationale en Europese rol, een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie, duurzame leefomgeving, sociale samenhang, veiligheid stabiliteit en respect, en dienstbare overheid en publieke sector.
Dit is alleen te realiseren door een blijvende dialoog met de samenleving. Dat blijkt ook uit het motto 'Samen werken, samen leven'. Mensen zelf geven inhoud aan de samenleving. Politiek is vormgeven aan de toekomst van de samenleving, zij slaat de brug tussen waarden en idealen en de praktijk van alledag. Zij heeft als taak veel - soms zeer uiteenlopende - belangen tegen elkaar af te wegen. En uiteindelijk keuzes te maken.
In dit Beleidsprogramma presenteert het kabinet ruim 70 doelen en 10 projecten waar het kabinet zich de komende vier jaar voor in wil zetten en waar ze ook aanspreekbaar op is.
Drie voorbeelden van een doelstelling
Het kabinet wil de positieve krachten in ons land versterken en een concrete bijdrage leveren aan het oplossen van de problemen. Dat is niet eenvoudig. Er zijn veel belangen in het spel die vaak tegengesteld zijn. Bovendien wordt de samenleving voor het belangrijkste deel gemaakt door burgers: de overheid heeft niet alles in de hand. Onze samenleving is ook ingewikkelder geworden en steeds meer met het buitenland vervlochten geraakt. Beslissingen op het ene gebied hebben soms grote gevolgen voor andere gebieden. Hoe beslissingen doorwerken, ervaren mensen in de praktijk. Zij worden soms horendol van beleid van bovenaf. 'Zorg voor samenhang' en 'let goed op de uitvoerbaarheid!', is een noodkreet die het kabinet in de eerste honderd dagen van zijn bestaan veel heeft gehoord.
Mensen stellen - terecht - hoge eisen aan het optreden van de overheid. Ze
willen gehóórd worden, en begrijpen daarbij best dat niet al hun wensen
kunnen worden vervuld.
De dialoog is een middel om te komen tot goed beleid. Oor hebben voor goede
ideeën die kunnen bijdragen om gestelde doelen te realiseren en eigen ideeën
kunnen toetsen op uitvoerbaarheid.
Veel gesprekken met burgers, bedrijven, bestuurders en maatschappelijke
organisaties hebben bijgedragen aan de doelstellingen uit dit
Beleidsprogramma. Maar niet altijd. Soms bleken ideeën of voorstellen niet
uitvoerbaar, of waren ze tegenstrijdig met andere voorstellen, of heeft het
kabinet met argumenten een andere visie.
Drie eenvoudige voorbeelden van de opbrengst van de dialoog:
Dit beleidsprogramma is het resultaat van de eerste honderd dagen samen werken. Het geeft aan wat het kabinet - met alle inbreng die het tot nu toe heeft gehad - de komende 1360 dagen wil bereiken. Waar de accenten liggen en waar het zich op laat afrekenen.
De doelstellingen in dit Beleidsprogramma zijn een nadere concretisering van wat in het Coalitieakkoord is neergelegd. Dit betekent niet dat dit Beleidsprogramma alle onderwerpen omvat. De overige afspraken uit het Coalitieakkoord blijven gewoon leidend voor het kabinetsbeleid.
Zoveel als op dit moment al mogelijk is, wordt in dit Beleidsprogramma ook zichtbaar gemaakt wat de financiële vertaling is van deze doelstellingen voor deze kabinetsperiode. In de jaarlijkse begrotingen zal het nog specifieker worden uitgewerkt voor het betreffende jaar. Daarnaast wil het kabinet natuurlijk ook zorgen voor een andere belangrijke doelstelling, namelijk deze kabinetsperiode eindigen met een overschot op de begroting. Dat is nodig voor de solide overheidsfinanciën.
Dit Beleidsprogramma maakt aan de samenleving duidelijk wat het kabinet wil realiseren. Burgers mogen ons daar op aanspreken. De Tweede Kamer zal ons er op controleren. Het kabinet gaat daar - blijvend - graag het debat over aan.
Namens het kabinet,
Jan Peter Balkenende, minister-president,
minister van Algemene Zaken
Wouter Bos, vice minister-president,
minister van Financiën
André Rouvoet, vice minister-president,
minister voor Jeugd en Gezin
Binnenland en buitenland grijpen steeds meer in elkaar. Vormgeven aan de
toekomst van Nederland kan ook door invloed uit te oefenen op wat buiten onze
grenzen gebeurt. Bedreigingen moeten kansen worden; voor de mensen ver weg en
voor ons hier.
De kansen die er zijn moeten we verzilveren.
Nederland heeft zich altijd ingezet voor een wereld waarin de winst van de één niet het verlies van de ander betekent. Voor een duurzame leefomgeving voor huidige en toekomstige generaties. We werken daarom aan:
Het kabinet spant zich in voor een buitenlands beleid waarin Nederlanders zich herkennen. Een buitenlands beleid dat de belangen van Nederland en Nederlanders dient. 'Samen werken, samen leven' is ook over de grenzen ons motto.
Eind jaren zeventig begon 'De ver van mijn bed show' op televisie. Wat toen nog veelzeggend 'de Derde Wereld' werd genoemd, voelde inderdaad 'ver van mijn bed'. De show liet zien dat wat ver weg gebeurt, invloed kan hebben op zaken dicht bij huis. Zo werd betrokkenheid bij ontwikkelingen wereldwijd versterkt. Een betrokkenheid die de Nederlandse identiteit al eeuwen kenmerkt.
Ver weg is vandaag verrassend dichtbij. De rozen op tafel worden gekweekt in Kenia. Niemand kijkt meer op van avocado's en kiwi's in de groenteschappen. Maar ook: de overlast in de woonwijk wordt veroorzaakt door handelaren die vers aangevoerde cocaïne uit Zuid-Amerika verkopen of jonge meisjes uit Wit-Rusland uitbuiten. Onze welvaart, ons welzijn en onze veiligheid worden steeds meer beïnvloed van buitenaf.
In de gesprekken die we met de samenleving zijn gestart, blijkt dat Nederlandse burgers dat ook zo ervaren. Niemand heeft het meer over een 'ver van mijn bed show'. Integendeel. In onze gesprekken beluisteren we betrokkenheid, reislust en ondernemingszin. Maar ook zorgen over de manier waarop die grote, ingewikkelde wereld ons dagelijks leven beïnvloedt. Het gaat dan over onveilige wijken, over bedreiging van de eigen baan, over de te warme winter en over de kans op een grieppandemie. Mensen verwachten terecht van het kabinet dat we hun zorgen serieus nemen. Er iets aan doen. Dat vertrouwen willen we de komende periode niet beschamen.
Met binnenlandse oplossingen, zoals meer blauw op straat en meer groen in de wijk, kunnen we een eind komen. Maar ook door invloed uit te oefenen op wat buiten onze grenzen gebeurt, kunnen we het beste voor Nederland en voor anderen bereiken. Zo leiden Europese afspraken tot effectievere criminaliteitsbestrijding. Grotere veiligheid in Afghanistan is een basis voor ontwikkeling. Door ontwikkeling krijgt radicalisering minder kans. Dat dient ook onze veiligheid. Gelijke rechten voor mannen en vrouwen leiden tot productievere samenlevingen. Pleiten voor betere arbeidsomstandigheden in Azië leidt tot waardiger levens en eerlijker concurrentie. Kennismigranten dragen bij aan onze economie. Betere zorg in ontwikkelingslanden vermindert de risico's voor onze eigen volksgezondheid. Ambitieuze internationale klimaatafspraken moeten stijging van de zeespiegel beheersbaar houden. Intensieve economische relaties tussen landen dragen bij aan vrede en veiligheid.
Ver weg komt soms erg dichtbij. In onze gesprekken met burgers worden ook zorgen geuit over verlies aan identiteit. Zal Europa onze nationale identiteit niet aantasten? Hoe blijft dat wat ons als Nederlanders met elkaar verbindt overeind in een globaliserende wereld? Er is een canon gekomen van de vaderlandse geschiedenis. We bespreken de oprichting van een Nationaal Historisch Museum en denken na over hoe nieuwe Nederlanders zich onze cultuur eigen kunnen maken. In veel televisieprogramma's staat betrokkenheid bij elkaars lief en leed centraal. Allemaal zaken die bijdragen aan onderlinge verbondenheid. De kracht van Nederland ligt in de eigen kenmerkende eigenschappen, de kracht van Europa in het veelkleurig palet aan nationale culturen. Wereldburgerschap of Europese identiteit komen niet in de plaats van onze nationale identiteit, maar kunnen in een globaliserende wereld goed van pas komen.
De Europese Unie geeft ons goede mogelijkheden om samen met andere landen
ons continent stabieler, veiliger, welvarender en duurzamer te maken. Om dat
potentieel waar te maken dient Europees beleid gedragen te worden door de
burgers. Dat is de niet mis te verstane les van de laatste jaren. Het kabinet
zal hierover een gesprek met burgers en maatschappelijke groeperingen blijven
voeren. Een nieuw verdrag dient rekening te houden met hun
verwachtingen.
Europa heeft bewezen voor grensoverschrijdende uitdagingen oplossingen te
kunnen bieden. Dat geldt voor klimaat- en milieubeleid, voor veiligheid en
voor de gemeenschappelijke markt. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid heeft
jarenlang onze voedselvoorziening gegarandeerd. Het Europees arrestatiebevel
is een belangrijk instrument in de strijd tegen internationale criminaliteit.
Door het Erasmusprogramma kunnen studenten overal in Europa studeren.
Samenwerking op het gebied van onderzoek en ontwikkeling versterkt onze
concurrentiepositie.
Via Europa kunnen we ook onze wereldwijde belangen met meer gewicht
verdedigen, of het nu gaat om energieonderhandelingen, handelsakkoorden,
afspraken over milieu en migratie, of om bijdragen aan vrede en veiligheid.
Burgers hebben bij herhaling aangegeven een actieve rol van Europa in de
wereld belangrijk te vinden. We zetten in op een Europese Unie die zelfbewust
onze belangen en waarden mondiaal zeker stelt.
Voor een Europa dat dit soort concrete resultaten boekt, wil het kabinet zich met overtuiging inzetten. Een nieuw verdrag moet dat versterken. We willen een slagvaardig en democratisch Europa met minder regels, en meer openheid en een moderne begroting. Een Europa dat ook met 27 lidstaten, en dus 27 gesprekspartners, effectief kan blijven opereren. Maar we moeten onze nationale sociale verworvenheden kunnen behouden, versterken en vernieuwen. Bij zaken als pensioenen, sociale zekerheid, fiscaliteit, gezondheidszorg, cultuur en onderwijs moet Nederland zelf de regie kunnen houden. Een Europa dat onnodige zaken regelt, bezorgt zichzelf een slechte naam.
In de 'Nacht van Europa' op 9 mei en in de vele opvattingen die we de afgelopen tijd in het land hebben beluisterd, was één duidelijke rode draad: Nederland mag niet aan de zijlijn staan en moet zich actief bemoeien met Europa. Er blijkt behoefte te zijn aan meer informatie, onder andere via het onderwijs. Tijdens de bijeenkomst van het kabinet op 21 mei werd het concrete voorstel voor lesmateriaal gedaan. Het kabinet pakt die suggestie op.
Burgers willen betrokken worden: Europa moet van hen zijn. Waar dat nuttig of noodzakelijk is, moeten zaken Europees worden aangepakt. Burgers denken dan vooral aan zaken als energie, asiel en migratie, een stevige rol van Europa in de wereld, klimaat en milieu. Scholieren noemden vooral de laatste twee onderwerpen. Europa moet zich niet met dingen bemoeien die we beter in eigen land kunnen regelen. Het kabinet blijft burgers betrekken bij Europa. Een goed voorbeeld is de maatschappelijke dialoog over de toekomst van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die in april door minister Verburg is gestart. De resultaten hiervan zullen de inzet van het kabinet in de Europese discussie hierover in 2008 mede bepalen.
De hereniging van een lang verdeeld Europa binnen de Unie blijft een
historische prestatie van formaat. Het proces van Europese uitbreiding is
alleen snel gegaan. Voor velen te snel. Europa heeft duidelijke voorwaarden
waaraan landen moeten voldoen willen ze lid kunnen worden van de Unie: de
Kopenhagen-criteria. De Europese Unie moet deze eigen criteria voor
toetreding van nieuwe landen serieus nemen. Ze verdienen een plaats in een
nieuw verdrag. Landen waaraan Europa nog geen perspectief op toetreding heeft
gegeven, moeten dat op dit moment niet krijgen. Europa heeft wel belang bij
goede buren met wie we nauw samenwerken en met wie we onze waarden
delen.
Maar voordat er verder wordt uitgebreid, moet Europa in eigen huis orde op
zaken stellen. De Unie moet alleen worden uitgebreid met landen die er echt
klaar voor zijn. Er moet strikt vastgehouden worden aan de
Kopenhagen-criteria.
Bij veel mensen leeft het gevoel dat de uitbreiding met nieuwe lidstaten de afgelopen jaren te snel en te gemakkelijk is gegaan. De kritiek op de uitbreiding heeft een belangrijke rol gespeeld bij het 'nee' bij het referendum over de Europese Grondwet. De deur hoeft niet op slot, maar burgers verwachten wel dat toetredingscriteria strikt worden toegepast. Gemaakte afspraken nakomen dus (http://www.samenwerkenaannederland.nl/ en onderzoek http://www.nederlandineuropa.nl/ uit 2006).
De conflicten in het Midden-Oosten zijn sterk met elkaar verweven. Ze zijn velen een doorn in het oog en zorgen ook in ons land voor verdeeldheid. Een duurzame en rechtvaardige oplossing voor het slepende conflict tussen Israël en de Palestijnen is ook in ons belang. Een dergelijke oplossing kan pas stand houden met veilige en erkende grenzen voor Israël en een levensvatbare Palestijnse staat. De Europese Unie kan meerwaarde leveren bij het realiseren van een oplossing. Nederland steunt een actieve Europese rol, maar neemt ook zijn eigen verantwoordelijkheid. Nederland zal zijn bilaterale contacten in de bredere regio voor dit doel benutten.
Uit de webdiscussie op http://www.samenwerkenaannederland.nl/ blijkt duidelijk dat Nederlanders op dit punt iets van het kabinet verwachten. De situatie in het Midden-Oosten houdt de gemoederen stevig bezig, vooral het Israëlisch-Palestijnse conflict. Meningen over hoe we met de partijen in het conflict om moeten gaan lopen ver uiteen. Minister Verhagen neemt in juni een aantal jongeren mee op zijn reis naar het Midden-Oosten om samen te kijken wat er mogelijk is.
Nederland heeft alles in huis om bij te dragen aan vrede, veiligheid en ontwikkeling. We hebben een krijgsmacht die modern, mobiel en goed opgeleid is. De internationale missies van nu zijn veeleisend doordat ze zo verschillend zijn: er zijn grootschalige en complexe missies, kleinschalige en civiel-militaire missies en opleidings- en adviesmissies. Dit zijn slechts enkele varianten. Modernisering van en investering in onze krijgsmacht heeft tot doel ook in de toekomst maatwerk te kunnen blijven leveren. We dragen naar vermogen bij aan crisisbeheersingsoperaties en wederopbouw. Juist daardoor kunnen we geloofwaardig meepraten over vrede en veiligheid in de wereld. Het kabinet wil dat Nederland zijn verantwoordelijkheid blijft nemen.
Veel Nederlanders vinden het belangrijk dat onze militairen actief bijdragen aan een betere en veilige wereld. Inzet in moeilijke omstandigheden, zoals in Afghanistan, hoeft daarbij niet uit de weg te worden gegaan. Maar dan willen mensen wel zeker weten dat de doelstellingen realistisch en haalbaar zijn. Ze willen zien dat onze inspanningen ook echt tot opbouw en stabiliteit leiden. Er wordt ook aandacht gevraagd voor crises elders in de wereld, waarbij Soedan (Darfur) vaak wordt genoemd.
Om internationale conflicten voor te zijn of op te lossen combineert Nederland steeds vaker middelen en instrumenten die elkaar versterken. Nederland hanteert de zogenaamde 3D-benadering van Diplomacy, Defense en Development. Het kabinet wil in de komende jaren dit geïntegreerde veiligheids- en ontwikkelingsbeleid verder uitbouwen en daarvoor meer partners zoeken. In Nederland zal de kring van Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking worden uitgebreid door gebruik te maken van de kennis en ervaring van Economische Zaken, Binnenlandse Zaken en Justitie. We kunnen landen helpen bij de overgang van rechteloosheid naar rechtsstaat, bijvoorbeeld door rechters, officieren van justitie en advocaten op te leiden. Ook samenwerking met niet-gouvernementele organisaties en het bedrijfsleven heeft groeiende aandacht, uiteraard met respect voor de onafhankelijkheid van deze organisaties. Internationaal werken we er aan dat organisaties die zich bezighouden met crisisbeheersing en wederopbouw - VN, Wereldbank, NAVO, regionale organisaties, OESO, RT, EU - optimaler samenwerken en afstemmen. Speciale aandacht is er voor de problematiek van de kleine wapens. Het vaak dodelijk geweld dat hiermee wordt begaan in falende staten en conflictgebieden leidt tot maatschappelijke ontwrichting en vluchtelingenstromen. Een menselijke ramp, waarvan ook wij de gevolgen ondervinden. Nederland is onder meer actief bij de totstandkoming van een internationaal wapenhandelsverdrag.
In de consultatieronde over vrede, veiligheid en ontwikkeling wordt regelmatig aandacht gevraagd voor het betrekken van het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven. Het kabinet wil meer gebruik maken van kennis, ervaring en engagement die in Nederland leeft. Het maatschappelijk middenveld is daarnaast zeer betrokken bij de problematiek van de kleine wapens. Met organisaties als Pax Christi, Amnesty International en Oxfam/Novib vindt regelmatig overleg plaats.
Nederland speelt al jaren een voortrekkersrol in de strijd tegen armoede. In deze actieve rol vinden we steeds meer medestanders. Europese lidstaten doen nu hun best om in 2015 0,7% van hun bruto nationaal inkomen aan hulp uit te geven. Mede op initiatief van Nederland en in navolging van onze 0,8%. Maar voor duurzame ontwikkeling is meer nodig. Armoedebeleid gaat ook om duurzame groei, verdeling en zeggenschap. De koek moet groter en deze moet eerlijker worden verdeeld. Respect voor vrouwenrechten, biodiversiteit en klimaat zijn rode draden in het beleid. Meer aandacht voor ondernemers in ontwikkelingslanden biedt betere kansen voor groei en werkgelegenheid. De sleutel voor groei en ontwikkeling ligt bij duurzame (en maatschappelijk verantwoorde) handel, investeringen en ontwikkeling van de private sector. Het instrument ontwikkeling relevante export transacties (ORET) zal worden aangepast om de relevantie voor de potentiële MKB-doelgroep in Nederland en in ontwikkelingslanden te vergroten. Een aantal Nederlandse bedrijven en multinationals vervult een vooraanstaande rol in maatschappelijk verantwoord ondernemen en dit gaan we nadrukkelijk bevorderen. Door verdere initiatieven op het gebied van schuldverlichting wordt economische stabiliteit bevorderd en ontstaat financiële ruimte voor de armste landen. Financiële ruimte die ten goede kan komen aan de armoedebestrijding. Ontwikkelingslanden moeten beter in staat worden gesteld om deel te nemen aan de wereldhandel; dit betekent dat Nederland zich blijft inzetten voor het opheffen van handelsbelemmeringen. De landbouw in ontwikkelingslanden is belangrijk voor de armoedebestrijding, voedselproductie en voor de opkomende markt voor biobrandstoffen. Daarnaast zullen we samen met onze partners werken aan het stimuleren van de vraagzijde van economieën in het Zuiden. Dit zullen we doen door middel van bijvoorbeeld microkredieten en micropensioenen. In onze aanpak zullen we ons nadrukkelijker richten op onstabiele staten, op landen die na oorlogen toe zijn aan wederopbouw en op landen met grote armoede die verstoken zijn van hulp ('donorwezen').
Veel deelnemers aan de consultaties, bezoekers op de website http://www.samenwerkenaannederland.nl/ en de deelnemers aan de discussie op 21 mei vinden dat publiek/private samenwerking nodig is bij de bestrijding van armoede. Bedrijven kunnen en moeten ook een rol spelen. Zij zorgen voor expertise en voor werkgelegenheid, wat de welvaart van ontwikkelingslanden kan vergroten. Waar mogelijk kunnen ze het stokje van ontwikkelingsorganisaties overnemen. Tal van bedrijven namen actief deel aan de consultaties over ontwikkelingssamenwerking. We bekijken nu hoe we de meest kansrijke ideeën voor samenwerking tot stand kunnen brengen.
In 2000 beloofden alle lidstaten van de Verenigde Naties om binnen
vijftien jaar de armoede in de wereld flink terug te dringen. Die belofte is
verwoord in acht Millennium Ontwikkelingsdoelen (MDG) over gezondheid,
honger, milieu, onderwijs, eerlijke handel en gelijke rechten.
Sinds 2000 is slechts beperkte vooruitgang geboekt. Met name in Afrika blijft
de bevolkingsdruk onverminderd groot, waardoor veel van de vooruitgang teniet
wordt gedaan. Zonder extra inspanning zullen de meeste doelen niet gehaald
worden. De grootste achterstanden zijn in Sub-Sahara Afrika, in instabiele
landen en in (post)conflictgebieden. Grootste obstakels zijn slecht bestuur,
corruptie, gebrekkige uitvoeringscapaciteit in ontvangende landen,
onveiligheid en versnippering van de hulp.
Het kabinet realiseert zich dat we alleen door wereldwijde samenwerking de Millennium Ontwikkelingsdoelen kunnen halen. Het Nederlandse beleid richt zich in ieder geval op:
In de afgelopen 100 dagen is over de MDG's met Nederlandse en internationale partners een intensieve dialoog gevoerd. Er was een serie consultaties waarbij leden van het kabinet spraken met ruim 300 bedrijven, ngo's, particuliere organisaties, vluchtelingen uit ontwikkelingslanden, journalisten, veldwerkers, vakbonden, schrijvers, werkgeversorganisaties en academici. De dialoog zal in de komende jaren worden voortgezet. Ook zullen we werken aan het verhogen van de algemene bekendheid met en het verbreden van het debat over de MDG's, om zo het begrip voor onze inzet te verhogen.
Een aantal voorstellen dat in de komende periode wordt uitgewerkt is: opzetten van zorgverzekeringssystemen, in samenwerking met verzekeraars, academici en ngo's; ondersteunen van het streven naar een mondiaal duurzaam beheerd ecologisch netwerk; versterken van de samenwerking met ngo's op het terrein van onderwijs in (post)conflictlanden; ontwikkeling van de financiële sector in ontwikkelingslanden, onder meer door mesofinancieringen; en aandacht voor de rechten en kansen van vrouwen.
Recht op vrijheid, op persoonlijke veiligheid, op vrijheid van
meningsuiting, op godsdienst. Deze rechten zijn sinds jaar en dag vastgelegd
in wereldwijde verdragen. De praktijk is helaas dat deze fundamentele
mensenrechten dagelijks geschonden worden: geweld tegen vrouwen,
kindsoldaten, politieke gevangenen, onderdrukking van religieuze minderheden,
doodstraf. Rechten kunnen niet bij mooie woorden blijven. Ze vereisen
toepassing. In sommige landen zijn wetten keurig opgeschreven, maar worden ze
in de praktijk aan de laars gelapt. Zulke misstanden stellen we aan de kaak
en dat zullen we blijven doen. Publiekelijk via de VN-mensenrechtenraad of de
Europese Unie. Binnen de Unie bundelen we onze krachten om zo gezamenlijk
druk uit te oefenen.
Veel landen bevinden zich in een overgangsfase. Ze hervormen, maar zijn er
nog niet. In zulke landen biedt steun aan mensenrechtenorganisaties en
meedenken over wetten en uitvoering daarvan, veel kans. Nederland zal deze
steun blijven geven. Gerechtigheid is een groot goed. Begane misdaden als in
Bosnië of Sierra Leone, kunnen niet onbestraft blijven. Den Haag is de
juridische hoofdstad van de wereld. Ook daarmee kunnen we verschil
maken.
Het kabinet stelt zich assertief op om de mensenrechten hoger op de internationale agenda te krijgen. Nederlandse en buitenlandse mensenrechtenorganisaties spelen hierin een belangrijke rol. Concreet wordt er samen met mensenrechtenorganisaties gewerkt aan een werkprogramma mensenrechten. In dit werkprogramma zal het kabinet aandacht besteden aan bekende mensenrechtenvraagstukken, maar ook aan relatief nieuwe kwesties, zoals terroristen en radicale groeperingen die geen respect hebben voor onze waarden en normen.
In de strijd tegen wereldwijde milieuproblemen, zoals klimaatverandering
en biodiversiteitverlies, wil Nederland daarom een voortrekkersrol spelen.
Omdat het hier gaat om ernstige problemen, maar ook omdat dit nodig is voor
het halen van de Millennium Ontwikkelingsdoelstellingen. Dit betekent
concreet dat we steun aan ontwikkelingslanden verlenen om hen toegang tot
(duurzame) energie te geven. Tegelijkertijd willen we andere landen, zoals de
VS, China, Brazilië en India, ervan overtuigen dat gezamenlijk optreden nodig
is voor de periode na 2012. Dan loopt het Kyoto-protocol af en zijn er dus
nieuwe doelstellingen nodig. Om zo'n brede coalitie tot stand te brengen, is
een actief internationaal optreden van de Europese Unie vereist. Nederland
zal nadrukkelijk bijdragen aan deze klimaatdiplomatie met het ambitieuze
Nederlandse streven naar 30% CO2-reductie als uitgangspunt.
Om afwenteling van onze milieuproblemen op andere landen te voorkomen, moeten
we wereldwijd verantwoord omgaan met biodiversiteit en natuurlijke
hulpbronnen. Gezien het productie- en consumptiepatroon in Nederland hebben
hout, biomassa en de productie van soja, palmolie en vismeel prioriteit.
Behoud van biodiversiteit vereist een effectieve wereldwijde bescherming van
waardevolle gebieden en realisatie van ecologische netwerken. Wat aan de
natuur wordt onttrokken, moet worden gecompenseerd. Om al onze doelstellingen
te bereiken, zal Nederland een actieve inbreng leveren, zowel binnen de
Europese Unie als mondiaal.
Op initiatief van IUCN Nederland pleitten onlangs meer dan 80 leiders uit het Nederlandse bedrijfsleven voor meer gezamenlijke aandacht voor natuur, biodiversiteit en klimaat. In reactie hierop zal een maatschappelijke taakgroep Biodiversiteit en Natuurlijke Hulpbronnen worden ingesteld om te adviseren over de lange termijn doelen, taakstellingen en innovatieve oplossingen. Ook overheden en ngo's in ontwikkelingslanden zullen hierbij betrokken worden.
De komende jaren zullen steeds meer Nederlanders en buitenlanders een beroep doen op onze ambassades, consulaten-generaal en economische steunpunten voor consulaire en economische dienstverlening. Het kabinet zet zich in om ook in het buitenland de dienstverlening te verbeteren. We zullen de mogelijkheden benutten die schuilen in samenwerking met private partijen en investeringen in ICT -systemen en elektronische dienstverlening. Dit gebeurt onder andere bij reisadviezen. Om bij calamiteiten reizigers en thuisblijvers te kunnen ondersteunen zullen snel inzetbare teams 24 uur per dag klaar staan. Bonafide zakenlieden moeten in beginsel in 48 uur een visum kunnen krijgen. In 2010 zal in alle visum- en paspoortprocessen biometrie zijn ingevoerd. Hierdoor wordt ongestoord reizen wereldwijd gemakkelijker en de veiligheid verder verhoogd. Er zal duidelijk worden gecommuniceerd welke diensten burgers en bedrijven van de overheid kunnen verwachten, ook om teleurstelling te voorkomen.
Burgers vinden reisadviezen en hulp in het buitenland belangrijk. Wat doen onze ambassades als men het slachtoffer wordt van diefstal of hoe begeleiden zij Nederlanders gevangenen in het buitenland? Minister Verhagen ging hierop in toen hij op 24 mei op Schiphol de aftrap deed voor de jaarlijkse campagne 'Wijs-op-Reis'. Ondernemers vragen de regering om versterking van de economische dienstverlening op onze posten in het buitenland.
Nederland trekt actief internationale organisaties en bedrijven aan. Wij
zijn gastland voor 32 internationale organisaties, waaronder het
Internationaal Gerechtshof, het Joegoslavië-tribunaal, en het Europees
Octrooi Bureau, en voor vele buitenlandse bedrijven. De in Nederland
gevestigde buitenlandse bedrijven zijn goed voor bijna 540.000
arbeidsplaatsen.
We gaan Nederland als vestigingsplaats nog aantrekkelijker maken, onder meer
door het bevorderen van aantrekkelijke huisvesting voor het Internationaal
Strafhof, Europol en Eurojust. Administratieve procedures worden
vereenvoudigd, toegang en verblijf worden versoepeld, de
informatievoorziening wordt beter toegesneden op 'expats'.
Aan goede betrekkingen met en dienstverlening aan werknemers en hun gezinnen van internationale organisaties en bedrijven (expats) wordt door de betrokken gemeenten en het ministerie van Buitenlandse Zaken intensief aandacht besteed. Zo heeft de gemeente Den Haag een 'Xpat Desk' van een 'The Hague Hospitality Centre' dat speciaal is opgezet voor expats die werken en wonen in Den Haag.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Defensie + vredesoperaties | 50 | 100 | 150 | 200 |
| Defensie | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Vredesoperaties (HGIS) | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Enveloppe Internationale samenwerking | 50 | 100 | 150 | 200 |
| Duurzame energie in ontwikkelingslanden (ODA) | 50 | 100 | 150 | 200 |
Er worden middelen uit deze enveloppe ingezet voor o.a. het opheffen van
operationele knelpunten, waaronder internationale samenwerking
luchttransport, versterking inlichtingenketen en intensivering werving,
opleiding en behoud van personeel en uitvoering van aanbevelingen van de
commissie Staal (positieve gedragsveranderingen binnen de krijgsmacht).
Het kabinet stelt aanvullende middelen beschikbaar voor de voorziening
Crisisbeheersingsoperaties om blijvend bij te kunnen dragen aan
crisisbeheersingsoperaties.
Ontwikkelingslanden ondervinden grote problemen door klimaatveranderingen.
Tegelijkertijd bieden deze ontwikkelingen ook kansen, bijvoorbeeld voor de
landbouw in de opkomende markt voor biobrandstoffen. De middelen voor deze
enveloppe zijn geoormerkt voor duurzame energie in ontwikkelingslanden.
Deze middelen zullen worden ingezet op vier hoofdpunten: 1) toepassing van
duurzaamheidscriteria bij grootschalige energieproductie, met name bij
biomassa, 2) energievoorziening in Rwanda en Burundi, 3) programma's gericht
op toegang tot energie en 4) samenwerking met Indonesië bij duurzame energie,
met name bij bosbeheer en klimaatbeleid.
Kennis, innovatie en ondernemerschap zijn de sleutels tot welvaartsgroei en tot de oplossing van veel maatschappelijke vraagstukken waar burgers zich zorgen over maken. Kennis omdat nieuwe ideeën en inzichten de basis vormen voor vooruitgang. Innovatie omdat kennis zijn waarde bewijst in vernieuwende producten, diensten en werkprocessen. Ondernemerschap omdat vernieuwende producten aan de man gebracht moeten worden in een concurrerende wereldeconomie. Niet voor niets nemen deze drie een centrale plaats in op de Lissabon-agenda van de Europese Unie.
Een ondernemende, concurrerende en innoverende economie met oog voor de samenleving vraagt om een ondernemende, innovatieve, toegankelijke overheid. Een overheid die zorgt voor een excellent onderwijssysteem waarin studenten het beste uit zichzelf kunnen halen en waarin onderzoek van wereldniveau wordt verricht. Een overheid die ruimte geeft aan het MKB als motor van groei en vernieuwing. Letterlijk, waar het gaat om een goede bereikbaarheid, betrouwbare reistijden en voldoende bedrijfsruimte. En figuurlijk, door regels, procedures en voorschriften te verminderen, zodat ondernemers voluit kunnen ondernemen. Voldoende mededinging versterkt een moderne economie gericht op kennis, innovatie en ondernemerschap. De overheid ordent markten onder borging van publieke belangen, ziet toe op eerlijke concurrentie en bestrijdt kartels en economische machtsposities. De overheid dient een open houding te hebben naar de EU en de rest van de wereld. Niet alleen omdat het buitenland een belangrijke afzetmarkt is voor Nederlandse ondernemers, maar ook omdat buitenlandse investeerders en kenniswerkers direct bijdragen aan de Nederlandse welvaart.
Nederland is een welvarend land. Deze welvaart is echter niet vanzelfsprekend en blijft ook niet vanzelf intact. De wereldeconomie wordt steeds opener. Dat is goed nieuws, omdat bedrijven zo meer kansen krijgen op nieuwe markten en consumenten kunnen profiteren van een breder productaanbod. Maar het betekent ook dat we voortdurend alert moeten zijn om die kansen daadwerkelijk te benutten. Zo is ons productiviteitsniveau weliswaar hoog, maar blijft de groei van onze arbeidsproductiviteit achter. Dit is vooral zorgwekkend in delen van de publieke sector. Indien we er bijvoorbeeld niet in slagen met gerichte innovatie de productiviteit in de zorg te verhogen, zal in 2025 ruim één van elke vijf werknemers werkzaam zijn in de zorg, met alle gevolgen van dien voor de arbeidsmarkt en de zorgpremies. Ook vestigen zich te weinig buitenlandse kennisintensieve bedrijven en kennismigranten in Nederland en verliezen we marktaandeel op de belangrijkste buitenlandse groeimarkten. Het kabinet ziet dan ook vier grote uitdagingen.
De eerste uitdaging is een beter rendement van hoger onderwijs en onderzoek. Na vijf jaar studeren heeft de helft van de studenten nog geen einddiploma. Studenten zeggen dat het onderwijs hen onvoldoende uitdaagt. Tekenend voor het weinig excellente hoger onderwijs is het beperkte aantal Nederlandse instellingen in de top van internationale ranglijsten van beste instellingen ter wereld.
De tweede uitdaging is om het innovatief vermogen van de Nederlandse economie te versterken. Innovatie is nodig om zo de arbeidsproductiviteit te vergroten. Zeker in een krapper wordende arbeidsmarkt is dat van belang. Schaarste aan goede werknemers zal immers lonen opdrijven en de economie schaden. Een tekort aan arbeidskrachten leidt bovendien al snel tot sociale problemen, zoals tekorten aan personeel in onderwijs en zorg. Innovatie helpt ons ook bij de oplossing van maatschappelijke vraagstukken. Het innovatieve vermogen vormt voor de komende jaren de bron van de welvaartsgroei voor onze vergrijzende samenleving. Burgers willen echter meer dan alleen materiële welvaart; zij willen dat het klimaatprobleem wordt aangepakt, zij willen zich veilig voelen op straat, een schone leefomgeving, een uitstekende behandeling bij ziekte, hoogwaardig onderwijs en niet elke dag in de file staan. Door een betere benutting van kennis èn van de slimheid en vindingrijkheid van Nederlandse ondernemers kunnen al deze zaken beter worden aangepakt.
Dan moeten ondernemers daartoe wel de ruimte krijgen! De derde uitdaging ligt daarom in het wegnemen van drempels voor ondernemerschap. Ondernemers melden dat zij last hebben van de vele regels en de vaak strijdige interpretaties ervan. Zij moeten in dit digitale tijdperk nog te vaak in de rij staan voor een vergunning. Zorg- en onderwijsinstellingen willen ook meer ruimte voor ondernemerschap om op een vernieuwende wijze problemen van vandaag en morgen aan te pakken. Veel, vooral innovatieve, ondernemers geven aan dat ze slechts moeizaam financiering kunnen krijgen als ze willen doorgroeien. Daarbij blijken veel ondernemers vaak niet te weten waar ze terecht kunnen met hun vragen. Geen wonder dat Nederland op het gebied van ondernemerschap geen toppositie inneemt.
Ondernemers met weinig of geen personeel zeggen huiverig te zijn om mensen in dienst te nemen. Ze zijn beducht voor de lasten en risico's die de overheid hun oplegt als zij mensen aannemen. In veel gevallen moet een kleine ondernemer aan dezelfde regels en eisen voldoen als een grote multinational. Het financiële risico bij ziekte en de huidige ontslagregels worden door veel ondernemers als reden genoemd om geen, of niet méér, mensen in dienst te nemen. In tegenstelling tot het aantal zelfstandigen zonder personeel, is het aantal zelfstandigen met personeel de laatste 10 jaar gedaald.
Een goede bereikbaarheid is essentieel voor de economische dynamiek van ons land. Ondernemers geven aan dat goede bereikbaarheid een cruciale factor is bij de keuze van vestigingslocaties en bij investeringsbeslissingen. Het bereikbaar houden van plaatsen in Nederland is daarom de vierde en laatste uitdaging. De maatregelen uit de Nota Mobiliteit worden voortvarend opgepakt om de stijgende mobiliteit van personen en vracht per auto, per openbaar vervoer en vaarwegen het hoofd te bieden. Op de corridor Schiphol-Almere bijvoorbeeld is het treinverkeer in de afgelopen tien jaar verdubbeld en heeft het OV een spitsaandeel van meer dan 50%. Hierdoor zal de groeiende mobiliteit goed kunnen worden opgevangen en wordt irritatie over vertragingen en onvoorspelbare reistijden teruggedrongen.
Het tekort aan goed opgeleid personeel in Nederland is dit jaar op het hoogste niveau sinds de jaren '70 en zal door de pensionering van babyboomers en de economische opleving alleen maar groter worden. Het kabinet wil dat meer mensen een studie beginnen èn afronden: de helft van de studenten heeft na 5 jaar studeren nog geen einddiploma. Allochtone studenten zijn extra kwetsbaar: hun uitval is gemiddeld nog 10-15% hoger dan die van autochtone studenten. Daarom breidt het kabinet de 'aanval op de uitval' uit naar het hoger onderwijs. Extra middelen worden uitgetrokken om kleinschaligheid te bevorderen. Gegeven het oplopende tekort aan technici en technologen richt het kabinet de taskforce 'Technologie, Onderwijs en Arbeidsmarkt' op, waarin het bedrijfsleven een leidende rol krijgt. Tevens werkt het kabinet aan een actieplan gericht op verbetering van het natuurwetenschappelijk onderwijs, waarbij de drie Technische Universiteiten betrokken zijn. Talentvolle, ambitieuze studenten krijgen met behulp van beurzen of extra studiefinanciering de mogelijkheid toponderwijs te volgen.
Een nieuw model voor financiering van het hoger onderwijs zorgt ervoor dat kwaliteit, onderwijsinzet en prestaties worden beloond. Kwaliteit- en rendementsverbeteringen komen aan bod in de strategische agenda voor hoger onderwijs-, onderzoeks- en wetenschapsbeleid, die in september 2007 verschijnt.
De ambitie om het hoger onderwijs beter en aantrekkelijker te maken is een terugkerend onderwerp in gesprekken met studenten en docenten. Klachten over lesuitval en een gebrek aan begeleiding komen veel terug in alle gesprekken. Instellingen, inspectie, studenten, werkgevers en bestuurders delen de ambitie om uitval in het hoger onderwijs te verminderen.
Het Nederlandse onderwijs en onderzoek kan alleen op hoog niveau blijven presteren als de onderzoeksinfrastructuur van een hoge kwaliteit blijft en als de beste mensen volop ruimte krijgen (binnen de voorwaarde dat veiligheid van economische, onderzoeks- en andere gegevens gewaarborgd blijft). Goed onderzoek is noodzakelijk om de beste onderzoekers en studenten aan te kunnen trekken. Daarom wil het kabinet het primaat van het ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek versterken bij de verdeling van de onderzoeksmiddelen: deze moeten terechtkomen bij de beste onderzoekers. Het kabinet zet in op Braingain-programma's voor het aantrekken van buitenlandse toponderzoekers en op Talentprogramma's op maat (zoals Aspasia voor vrouwen en allochtonen). Daarnaast wordt het promotiestelsel gericht op excellentie, naar het voorbeeld van de graduate schools in de Verenigde Staten. Het nieuwe accreditatiestelsel dat het kabinet in zal voeren bevat ten slotte ook meer prikkels voor kwaliteit en zorgt voor minder administratieve lasten voor instellingen.
VSNU , KNAW en NWO , maar ook de Spinozisten en de Vereniging van Vernieuwingsimpulsen vragen om meer ruimte voor excellente onderzoekers.
De kwaliteit van de beroepsbevolking neemt toe door het zelf opleiden van mensen, maar ook door het soepeler toelaten van hoogopgeleide kenniswerkers. Een soepelere toelating vergroot ook de aantrekkingskracht van Nederland als vestigingsplaats voor buitenlandse investeerders. Daartoe verlengt het kabinet de toegestane zoekperiode naar een baan voor buitenlandse studenten die na hun studie in Nederland willen komen werken tot één jaar en wordt de inkomensgrens voor deze groep verlaagd tot 25.000 euro. Daarnaast zal een modern integratiebeleid o.a. gericht zijn op het verkorten van de procedure bij de IND tot twee weken door convenanten met bedrijven en onderwijsinstellingen te sluiten. Tot slot wordt de samenwerking en uitwisseling van gegevens tussen IND, CWI, gemeenten en Belastingdienst verbeterd.
Ondanks de stappen die de afgelopen jaren zijn gezet, zijn er nog te vaak klachten over het kennismigratiebeleid. Bedrijven die arbeidsmigranten willen aantrekken storen zich aan de veelheid aan regelingen, de vele loketten en de lange doorlooptijden.
Het kabinet gaat kennis en innovatie beter koppelen aan de oplossing van maatschappelijke vraagstukken en de totstandkoming van vernieuwende producten en diensten. Daarom wil het kabinet de invloed van gebruikers op het toegepaste onderzoek van kennisinstellingen versterken. Met TNO en de Grote Technologische Instituten is afgesproken dat vraagprogrammering in 2010 rond moet zijn. Daarnaast wil het kabinet onderzoekers bij universiteiten en publieke kennisinstellingen in staat stellen zich een groter deel van de opbrengsten van intellectueel eigendom toe te eigenen. Toepassingsgericht onderzoek wordt bij de verdeling van middelen strenger beoordeeld op kwaliteit en kansen voor benutting en het praktijkgericht onderzoek van hogescholen wordt versterkt. Dit wordt ondersteund door het Innovatie Platform. Het innovatievermogen van de Nederlandse economie wordt voor een belangrijk deel bepaald door het MKB. MKB'ers zijn hard nodig voor het vertalen van goede ideeën in nieuwe producten. Een MKB dat innoveert, schudt de gevestigde orde wakker. Maar innoveren en het vinden van nieuwe (internationale) markten heeft in een klein bedrijf meer voeten in de aarde dan in een groot bedrijf. Het kabinet ziet daarom vooral bij het MKB mogelijkheden om innovatie te stimuleren.
Het kabinet stelt meer innovatievouchers voor het MKB beschikbaar. Deze zijn ook inzetbaar voor een Europees patent en voor kennisvragen rondom het toepassen van ICT. Samenwerking en kennisoverdracht tussen MKB-bedrijven zal door middel van Innovatieprestatiecontracten verder bevorderd worden. In de WBSO worden enkele maatregelen genomen die vooral gunstig uitpakken voor startende en doorgroeiende bedrijven die R&D verrichten. Bedrijven die voor het eerst aan R&D doen, worden gestimuleerd door een extra aftrekpost in de WBSO. De grens tot waar bedrijven kunnen profiteren van de hoogste aftrekpost van 42% in de WBSO wordt verruimd. Ten slotte komen er in de WBSO meer mogelijkheden voor procesinnovatie en ICT-onderzoek en ontwikkeling.
Ook als opdrachtgever zal de overheid innovatief ondernemerschap bevorderen. Het kabinet zal aanbestedingsprocedures uniformeren en vereenvoudigen door minder hoge eisen te stellen aan bijvoorbeeld omzet en ervaring. Ook worden aanbestedingsopdrachten toegankelijker door ze op één internetsite (TenderNed) te publiceren. Bedrijven die met innovatieve oplossingen komen, krijgen een streepje voor bij overheidsopdrachten (launching customer). De overheid stimuleert innovaties ook door, als launching customer, concrete R&D-opdrachten te geven aan MKB-bedrijven (Small Business Innovation Research). Met ingang van 2008 zal dit structureel verankerd worden.
Een terugkerend onderwerp in gesprekken met bedrijven, onderzoekers en kennisinstellingen is dat Nederland onvoldoende in staat is ontwikkelde kennis om te zetten in vernieuwende producten en diensten. Onderzoekers hebben te weinig prikkels om hun vindingen te gelde te maken. Het aandeel van de (semi)publieke sector in de octrooiproductie is nog steeds zeer laag. Ook zijn er maar weinig onderzoekers die vanuit een kennisinstelling een onderneming starten.
Bedrijven vinden het instrumentarium voor het MKB
waardevol. Aandacht wordt gevraagd voor verruiming van de WBSO in de richting van procesinnovatie, ICT-onderzoek en
-ontwikkeling en voor doorgroei van bedrijven naar grootschalige
productie.
Tijdens de bijeenkomst van 21 mei zijn twee concrete suggesties gedaan die
het kabinet graag wil oppakken. De eerste is het creëren van
duurzaamheidvouchers, c.q. het versterken van het duurzaamheidelement in de
innovatievouchers. De tweede betreft een percentage van minimaal 10% van wat
wordt uitgegeven aan het bedrijfsleven bestemmen voor het MKB.
Burgers hechten grote waarde aan een goede gezondheidszorg. Wil de kwaliteit van de zorg ook in de toekomst gewaarborgd zijn, dan is investeren in innovatie van groot belang. Niet alleen voor de verbetering van de kwaliteit, maar om een toenemend tekort aan menskracht in de zorg op te vangen. Een ander maatschappelijk probleem waaraan innovatie kan bijdragen is de klimaatverandering. Het project Nederland Ondernemend Innovatieland richt zich op een betere benutting van kennis en vernieuwend ondernemerschap ten behoeve van deze maatschappelijke vraagstukken. Er is een vernieuwd InnovatiePlatform ingesteld van toppers uit diverse gebieden, dat het voortouw neemt in het adviseren over mogelijkheden van innovatie. Dit InnovatiePlatform zal, als onafhankelijke ijsbreker, ideeën aanreiken en innovaties aanjagen.
In het verlengde van de sleutelgebiedenaanpak, zal in het kader van het project NOI een aantal maatschappelijke innovatieprogramma's worden gestart op technologiegebieden waarop Nederland kan uitblinken en die kan bijdragen aan de realisatie van maatschappelijke doelen. In 2008 starten drie programma's, rond energie, zorg en water. Het energieprogramma richt zich op het beter benutten van onder andere zonne-energie en nanotechnologie voor innovatieve toepassingen die duurzaam èn kosteneffectief zijn. Het zorgprogramma heeft tot doel via een versnelling van innovatie met minder mensen een kwalitatief betere zorg te leveren. Het waterprogramma richt zich op de uitdagingen op het gebied van zuivering en beheer. Deze drie programma's worden gevolgd door een beperkt aantal andere programma's, zoals voor veiligheids - en agro-innovatie. Het Innovatie Platform is betrokken bij de genoemde programma's. Alle innovatieprogramma's krijgen een internationale 'kop' om de vruchten van de samenwerking ook buiten Nederland te benutten.
ICT kan veel meer dan nu het geval is bijdragen aan het realiseren van maatschappelijke doelen. Concrete projecten uit het actieprogramma Maatschappelijke Sectoren en ICT zijn bevordering van hoogwaardig cameratoezicht op bedrijventerreinen, teleconsultatie in de zorg, en de introductie van gaming ten behoeve van het onderwijs.
Ondernemerschap moet in de haarvaten van de economie en samenleving zitten. In de industrie, de agrarische sector, maar ook in 'nieuwere' sectoren zoals de creatieve sector. Daarnaast kan ondernemerschap de leefbaarheid in de wijken verbeteren. Ook voor de overheid is ondernemerschap een 'must'. In de zorg of het onderwijs leidt ondernemerschap tot een betere dienstverlening. Ten slotte kan ondernemerschap voor kwetsbare groepen een aantrekkelijk alternatief zijn om volwaardig mee te doen op de arbeidsmarkt.
Het bevorderen van ondernemerszin begint op scholen en universiteiten; leerlingen en studenten moeten de kans krijgen kennis te maken met ondernemerschap. De subsidieregeling Beroepsonderwijs in Bedrijf maakt een betere aansluiting tussen bedrijven en het praktijkleren in het (voorbereidend) middelbaar beroepsonderwijs mogelijk. Om ondernemende mensen met goede ideeën te verleiden de stap naar het zelfstandig ondernemerschap ook echt te zetten, moet het starten van een bedrijf sneller, aantrekkelijker en eenvoudiger worden. Regelingen moeten beter toegesneden worden op de situatie van de startende en kleine ondernemer én de ondernemer met grote ambities ten aanzien van innovatie en groei. Daarom neemt het kabinet de volgende maatregelen:
Startende ondernemers zien het aannemen van de eerste personeelsleden als groot risico dat ook nog eens gepaard gaat met veel rompslomp. Studenten vinden dat zij vaker in aanraking zouden moeten komen met vakken op het gebied van ondernemerschap, zoals marketing en boekhouden. Ondernemers in onder meer de creatieve industrie geven aan dat het nog steeds lastig is financiering te vinden. Tijdens wijkbezoeken is ook geregeld het belang van ondernemerschap in wijken aan de orde gekomen. Ondernemers leveren niet alleen een positieve bijdrage aan bedrijvigheid en werkgelegenheid maar ook aan de sociale binding in de wijken.
Ondernemers moeten - meer dan tot nu toe - echt merken dat vermindering
van regeldruk zoden aan de dijk zet. Bij de aanpak van regeldruk zal het
kabinet daarom ondernemers zelf vragen van welke regels ze de meeste hinder
hebben. Daarna worden sectoren en wetgevingsgebieden doorgelicht èn aangepakt
op nalevingkosten, toezichtlasten, administratieve lasten en irritaties. Er
is al een start gemaakt met verkenningen op terreinen als milieu, landbouw,
bouw en transport. Per domein worden concrete, afrekenbare afspraken gemaakt
met betrokken partijen. Ook worden de administratieve lasten nog eens met 25%
verlaagd, met aandacht voor vergunningen, subsidies en aanbestedingen. Ten
slotte kiest het kabinet voor een ruimere toepassing van algemene regels,
zorgplichten in plaats van gedetailleerde voorschriften en lex silencio
positivo ('goedkeuring indien een besluit niet tijdig is genomen'). Om te
voorkomen dat de druk door nieuwe regels weer toeneemt, zal het kabinet
nieuwe voorstellen vooraf toetsen op effecten voor ondernemers. Via een
belevingsmonitor zal het kabinet meten of regeldruk inderdaad merkbaar
afneemt.
Provincies, gemeenten en waterschappen hebben aangegeven hun aandeel te
leveren in het schrappen, vereenvoudigen en samenvoegen van regels en
vergunningen. Het kabinet wil hierover met hen concrete afspraken
maken.
De overheid gaat de dienstverlening en informatievoorziening aan ondernemers
sneller en beter maken. Een ondernemer moet makkelijk kunnen zien wat hij
moet en mag doen. Ook moet in één oogopslag duidelijk zijn voor welke
subsidies hij in aanmerking komt en of er interessante overheidsopdrachten
voor hem zijn. Het Bedrijvenloket, waarop alle overheden en een aantal
uitvoeringsinstanties zijn aangesloten, verschaft die informatie. Het
Bedrijvenloket wordt uitgebouwd tot hét digitale loket waar ondernemers 24
uur per dag 7 dagen in de week zaken elektronisch kunnen afhandelen, zoals
het aanvragen van een horecavergunning. In het kader van de implementatie van
de EU-Dienstenrichtlijn, kunnen ook buitenlandse dienstverleners hier vanaf
eind 2009 informatie vinden en formaliteiten elektronisch afhandelen. Het
digitale bedrijvenloket wordt aangevuld door ondernemingspleinen in de regio,
ondergebracht bij de Kamers van Koophandel.
Adequate dienstverlening is niet alleen afhankelijk van het loket, maar ook van wat daarachter te verkrijgen is. Het kabinet wil het instrumentarium toegankelijker en overzichtelijker maken door minder regelingen op het gebied van innoveren en ondernemen, stroomlijning van regelingen en door een betere samenwerking tussen uitvoeringsorganisaties.
Ondernemers geven aan dat zij (nog) te weinig hebben gemerkt van het aanpakken van regels waar zij last van hebben. Ook blijken ondernemers slecht op de hoogte te zijn van de mogelijkheden waarmee de overheid ondernemers kan ondersteunen. En als ondernemers vervolgens iets willen, dan zijn er nog te vaak te veel loketten waar zij in de rij mogen aansluiten.
Met het programma 'Pieken in de Delta' ondersteunt het kabinet regionale clusters van bedrijven en kennisinstellingen die de potentie hebben mee te draaien met de internationale top. In enkele van de desbetreffende regio's is verbetering van de bereikbaarheid en beschikbaarheid van grootschalige werklocaties nodig om de economische toppositie te versterken of te behouden. Het kabinet geeft daarbij voorrang aan regionale programma's die kunnen bijdragen aan de beantwoording van maatschappelijke vragen. Speciale aandacht is er voor Brainport Eindhoven (life sciences en medische technologie), het energieknooppunt Groningen (gas, duurzame energie, opslag van CO2 ) de regio Wageningen-Nijmegen (voedseltechnologie en gezondheidszorg).
Voor grensregio's zoals Zuid-Limburg, is grensoverschrijdende bestuurlijke samenwerking tussen overheden en bijvoorbeeld Kamers van Koophandel noodzakelijk om goed te kunnen concurreren. Samen met de Europese Commissie en de regio zal het kabinet zich hiervoor met nieuwe grensoverschrijdende programma's sterk blijven maken. Tegelijkertijd trekken bedrijven in grensregio's geregeld aan de bel wanneer zij geconfronteerd worden met een verslechtering van hun concurrentiepositie door het optreden van buitenlandse overheden. Het kabinet zal grensregio's die nadeel ondervinden van overheidsgedreven concurrentie uit buurlanden, ondersteunen bij het aantrekken van investeringen.
Het kabinet neemt het eindbeeld dat door de leden van het Platform-Nouwen is ontwikkeld over. Een landelijke kilometerprijs gedifferentieerd naar tijd, plaats en milieukenmerken wordt in Nederland ingevoerd. Gezien de ernst van de fileproblematiek en de in het Coalitieakkoord opgenomen randvoorwaarden wordt deze kabinetsperiode een eerste uitvoerbare, betekenisvolle en onomkeerbare stap genomen op het gebied van een - binnen het eindbeeld passende - kilometerbeprijzing. Parallel hieraan en onlosmakelijk hiermee verbonden wordt het eindbeeld uitgewerkt binnen de in het Coalitieakkoord opgenomen randvoorwaarden. Het kabinet neemt over de eerste stap na de zomer van 2007 een besluit. Naar rato zullen de bestaande autobelastingen worden afgeschaft. Hiermee worden de lasten eerlijker verdeeld over de weggebruikers, doordat al vanaf de eerste betekenisvolle stap betaald wordt naar gebruik in plaats van naar bezit. Voor weggebruikers die relatief weinig, schoon en zuinig autorijden, zullen hierdoor de lasten dalen. Om schokeffecten door een abrupte omzetting van de aanschafbelasting (BPM) in de kilometerprijs tegen te gaan, zal een deel van de BPM in het Belastingplan 2008 en daarna worden omgebouwd in de Motorrijtuigenbelasting (MRB). De netto opbrengsten van de kilometerbeprijzing vloeien via het Infrastructuurfonds terug naar de verkeersinfrastructuur.
Er zijn intensieve gesprekken met maatschappelijke organisaties, het bedrijfsleven en overheden georganiseerd om tot een breed gedragen eindbeeld van de kilometerprijs te komen. Het kabinet hecht er aan het draagvlak dat door de Commissie-Nouwen is bereikt te behouden. Na besluitvorming in de Tweede Kamer over deze omvangrijke operatie zal het kabinet de dialoog met de weggebruiker zoeken. Weggebruikers moeten kunnen begrijpen waarvoor ze betalen.
Naast de stapsgewijze invoering van een gedifferentieerde kilometerprijs zet het kabinet voor het wegennetwerk op de korte termijn in op kleinschalige maatregelen. Het accent ligt daarbij op knooppunten en op plaatsen waar snelle voordelen te behalen zijn. Ook staat optimale benutting van capaciteit van het wegennet centraal, onder andere door inzet van dynamisch verkeersmanagement. Over grootschalige maatregelen gericht op de lange termijn beslist het kabinet op basis van een Landelijke Markt- en Capaciteitsanalyse voor het gehele hoofdwegennet (zowel A-wegen als rijks N-wegen).
Binnenhavens zijn een kritische succesfactor voor de concurrentiepositie van de binnenvaart. Het kabinet geeft daarom samen met regionale overheden een impuls aan de verbetering van de toegang tot deze binnenhavens. Daarnaast investeert het kabinet gericht in een betere benutting van het vaarwegennetwerk en een verbetering van het bedieningsniveau van sluizen en bruggen. Dit biedt capaciteitsvoordelen en resulteert in een verbeterde planning van transport voor onder andere verladers. Tot slot wil het kabinet de kansen benutten die er liggen om door middel van innovatie zowel de efficiëntie als de milieuprestaties (CO2-emissies, luchtkwaliteit) van de binnenvaart te verbeteren.
Bij de totstandkoming van de Landelijke Markt- en Capaciteitsanalyse zijn diverse regionale partijen en het bedrijfsleven betrokken. Samen met SenterNovem en de betrokken bedrijven is een innovatieagenda voor de binnenvaart opgesteld.
Ook versterking van het openbaar vervoer is belangrijk voor het verbeteren
van de bereikbaarheid. Het is de ambitie van het kabinet en van de
spoorsector om de groeispurt van de afgelopen jaren vast te houden. De
ambitie voor het OV per spoor is hiertoe gesteld op 5% groei per jaar.
Hiervoor wordt een actieplan opgesteld, dat na de zomer van 2007 gereed is.
Daarbij gaat de aandacht onder andere uit naar de inzet van hogere en langere
treinen, aanpassingen in de dienstregeling en uitvoering van het Herstelplan
spoor. De veiligheid en de klantvriendelijkheid van het spoor worden
bevorderd.
Grootschalige nieuwe infrastructurele maatregelen met kortetermijneffecten
zijn mogelijk noch wenselijk. Voor de lange termijn worden de kansen en
mogelijkheden onderzocht voor een kwaliteitssprong voor reizigers, in
combinatie met het faciliteren van de verwachte groei in het goederenvervoer
per spoor. Hierbij zijn diverse regionale partijen en het bedrijfsleven
betrokken. Naast forse investeringen in infrastructuur worden maatregelen
voor een betere benutting van de bestaande spoorcapaciteit onderzocht.
Het kabinet heeft gesproken met de spoorsector en met consumentenorganisaties. Dat heeft ertoe geleid dat de NS het initiatief neemt voor het 'Actieplan groeiambitie 5% spoor'.
De Randstad is voor Nederland, mede door de twee mainports Schiphol en de
Rotterdamse haven, de belangrijkste internationaal concurrerende regio en
concurreert met stedelijke regio's als Barcelona, München en Frankfurt. Maar
de Randstad kan beter. Een aantal knelpunten en onderbenutte kwaliteiten
hebben de concurrentiepositie van de Randstad aangetast. Het gaat dan om
bijvoorbeeld de dagelijkse files, de kwaliteit van het openbaar vervoer, te
weinig aantrekkelijke woongebieden, werklocaties en recreatiemogelijkheden en
mogelijk onvoldoende bescherming tegen de effecten van snelle
klimaatverandering. Het oplossen van deze problemen wordt bemoeilijkt door de
bestuurlijke drukte in de Randstad, waardoor de vele projecten weinig
samenhang kennen en moeilijk tot besluitvorming en uitvoering komen. Het
kabinet wil meer snelheid door selectiviteit en samenhang. Doel is een
slagvaardiger besluitvorming over en uitvoering van de meest urgente en
economisch belangrijke projecten in de regio. De Randstad kan dan op termijn
meer functioneren als één netwerk van steden met verschillende
specialisaties.
De projecten die in het Urgentieprogramma worden opgenomen, hebben betrekking
op een urgent probleem of een bijzondere kans. Ze zijn van Randstedelijk,
nationaal of internationaal belang.
In het rapport 'Randstad Kracht' hebben de vier grootste steden van de Randstad en de vier provincies een advies gegeven aan het kabinet over het Urgentieprogramma. Ook vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en marktpartijen, burgers en andere deskundigen zijn in verschillende rondes geconsulteerd. De zo verkregen kennis, expertise en creativiteit worden verwerkt in het programma. Het rijk en de regio maken zich samen sterk voor een snelle en voortvarende uitvoering van besluiten en projecten.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Innovatie, kennis en onderzoek* | 75 | 150 | 225 | 300 |
| onderzoek | 37,5 | 75 | 112,5 | 150 |
| maatschappelijke innovatieprogramma's | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 |
| kennis/overig | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Enveloppe Ondernemerschap | 50 | 75 | 100 | 200 |
| maatschappelijke innovatieprogramma's | 7,5 | 15 | 22,5 | 30 |
| innovatievouchers, SBIR en innovatieprestatiecontracten | 12,5 | 25 | 37,5 | 50 |
| overig (o.a. administratieve lasten kapitaalmarktpakket/ microkredieten, ICT, Noordzeevisserij) | 30 | 35 | 40 | 120 |
| Enveloppe Infra en wegen | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Quick wins vaarwegen | 5 | 10 | 20 | 20 |
| Quick wins wegen | 10 | 10 | 15 | 20 |
| Overig (bijv. luchtkwaliteit en dynamisch verkeersmanagement) | 10 | 30 | 40 | 60 |
| Enveloppe Regionaal economisch beleid ** | 25 | 50 | 75 | 100 |
| o.a. sterke regio's, luchtkwaliteit | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Enveloppe Aandeel PF in regionaal economisch beleid *** | 0 | 25 | 25 | 50 |
| Enveloppe Openbaar vervoer (uit pijler 3) | 25 | 50 | 75 | 100 |
* LNV zal evenredig meedelen in de intensiveringsmiddelen die betrekking
hebben op groen c.q. agrarisch onderwijs en onderzoek
** Hiervan is 10 mln structureel onderdeel van bespreking met provincies over
besteding accres
*** In te vullen bij Bestuursakkoord.
De impuls in HO is onderdeel van financiële box in pijler 4.
Het kabinet gaat maatschappelijke knelpunten op het terrein van de zorg, (duurzame) energie en waterbeheer aanpakken door innovatie op deze terreinen te bevorderen. Hiervoor wordt in totaal 200 mln uitgetrokken in de periode 2008-2011 (125 mln uit enveloppe innovatie en 75 mln uit enveloppe ondernemerschap). Ook een belangrijk deel van het wetenschappelijk onderzoek zal zich richten op maatschappelijke prioriteiten als zorg, water, energie en duurzaamheid.
De regeling Innovatievouchers wordt voortgezet en uitgebreid naar alle
soorten MKB bedrijven, zowel industrieel, agrarisch als diensten (w.o. de
zorg). De overheid stimuleert daarnaast innovaties door het geven van
concrete R&D-opdrachten aan het MKB (Small Business Innovation Research).
Voorts zal samenwerking en kennisoverdracht tussen MKB-bedrijven worden
bevorderd door middel van innovatieprestatiecontracten.
Ondernemerschap zal verder worden bevorderd door het wegnemen van overbodige
regelgeving. Daarnaast wil het kabinet de toegang tot kapitaal voor startende
MKB'ers en snel groeiende ondernemingen vergemakkelijken door uitbreiding van
bestaande kredietgarantieregelingen en verschaffing van
microkredieten.
Bij de aanwending van deze enveloppe zal rekening worden gehouden met
onvermijdelijkheden en prioriteiten uit het Coalitieakkoord waaronder de
sanering van de Noordzee-visserij.
De middelen voor wegen zijn voor kleinschalige maatregelen (quick wins)
aanpak van knooppunten en vergroting van de verkeersveiligheid. Er komen
maatregelen om de infrastructuur van vaarwegen op korte termijn beter te
benutten en het bedieningsniveau voor sluizen/bruggen te verbeteren.
Daarnaast kunnen middelen worden aangewend voor verbetering van de
luchtkwaliteit (om infra en wegen aan te kunnen leggen) en voor dynamische
verkeersmanagement (om de bestaande capaciteit van het wegennet beter te
gebruiken).
Regionale knelpunten van nationaal belang zullen door het rijk financieel
worden ondersteund.
De toegang van grootstedelijke regio's wordt verbeterd door effectieve en
kleinschalige maatregelen te nemen (o.a. afstemming reisinformatie en
verbetering aansluitingen hoofdwegennet en onderliggend wegennet). Door
lokaal maatregelen voor de luchtkwaliteit te nemen wordt het mogelijk om
grote lokale projecten doorgang te laten vinden, wat bijdraagt aan de
regionale economie.
Voor het realiseren van de ambitie van 5% groei per jaar van het openbaar
vervoer worden direct uitvoerbare maatregelen genomen als perronverlenging en
seinverdichting op drukke routes.
Tevens kunnen middelen worden aangewend voor verbetering van bestaande en
aanleg van nieuwe Park&Ride (P&R) voorzieningen en fietsenstallingen
bij treinstations en komen er experimenten met gratis openbaar.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Lastenenveloppe economische structuurversterking | - | 125 | 250 | 500 |
| WBSO | - | 29 | 58 | 115 |
| overig (o.a. stimulering startende ondernemers) | - | 96 | 192 | 385 |
Ter stimulering van de innovatieve kracht van de Nederlandse economie wordt aan de Wet Bevordering Speurs- en Ontwikkelingswerk (WBSO) 115 mln structureel vanaf 2011 toegevoegd. Deze middelen komen vooral ten goede aan startende en doorgroeiende bedrijven die R&D verrichten. Daarnaast zullen middelen uit deze enveloppe onder andere worden gebruikt ter stimulering van startende ondernemers.
Naar bovenHet kabinet wil concrete stappen zetten naar een duurzame
samenleving.
Dit gaan we doen door verantwoord en spaarzaam om te gaan met energie en
grondstoffen. Door ons energieverbruik te verminderen en energiebronnen in te
zetten die duurzamer zijn, verminderen we de opwarming van de aarde. Zo
werken we er bovendien aan mee dat ook komende generaties over voldoende
energie kunnen beschikken. Innovaties die het milieu sparen bieden ons enorme
kansen, ook economisch.
Nederland is een waterland. Onze zee, rivieren, meren, vaarten en sloten
bepalen het beeld van Nederland. Duurzaam waterbeheer is essentieel en dat
belang zal verder toenemen door de klimaatverandering.
Onze schaarse ruimte is kostbaar. Het zoveel mogelijk bundelen van
activiteiten en het benutten van het bestaand bebouwd gebied moet
verrommeling tegengaan. Beleid zoals is vastgesteld in de Nota Ruimte, blijft
hierbij het uitgangspunt. Wat mooi is, moet zoveel mogelijk mooi blijven.
'Vitaal' en 'mooi' kunnen wel degelijk samengaan in stedelijke gebieden en op
het platteland. Het karakteristieke Nederlandse landschap en de bijzondere
natuurgebieden die Nederland rijk is, verdienen aandacht en bescherming. Een
sterke en innovatieve landbouw heeft oog voor natuurwaarden en voor verdere
verbetering van het welzijn van dieren.
Nederland heeft een respectabele staat van dienst waar het gaat om de
ruimtelijke ordening, het waterbeheer, het natuurbeleid en de
milieuprestaties. Dat betekent niet dat de Nederlandse leefomgeving duurzaam
op orde is of dat onze consumptie geen negatieve gevolgen heeft. Het kabinet
ziet vier uitdagingen om een forse stap te maken naar een duurzamer
Nederland.
De eerste uitdaging is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen en
de versnelde overgang naar meer duurzame energiebronnen. Dit vereist een
mondiale en Europese aanpak, waaraan Nederland zijn bijdrage moet leveren. De
ambities van het kabinet voor klimaat en energiebeleid zijn fors en vragen
een trendbreuk. Alles moet uit de kast en iedereen moet daarbij helpen:
overheid, organisaties, burgers en bedrijven.
De tweede uitdaging die het kabinet ziet is dat we spaarzamer met grondstoffen en energie om moeten gaan en ruim baan moeten maken voor eerlijke, sociaal verantwoorde producten.
Een derde uitdaging is het duurzaam gebruiken van de schaarse ruimte op een manier die Nederland mooier en vitaler maakt. De verwachte behoefte aan ruimte is de komende jaren nog omvangrijk. Stedelijke regio's kampen met verkeersdruk en milieuproblemen. Specifieke groepen als starters en ouderen vinden moeizaam een woning in de eigen plattelandsgemeente. De aanleg van groen nabij stedelijke gebieden blijft achter. Sinds 1900 is het aandeel cultuurhistorische elementen in het landschap gehalveerd. Er is sprake van verrommeling van het buitengebied onder andere langs snelwegen en een ongewenste toename van verspreide glastuinbouw. Er liggen nog heel veel kansen die niet worden benut. Zo blijkt uit recent onderzoek (MKBA) dat investeringen in landschap heel profijtelijk kunnen zijn. Herstructurering en vitalisering van wijken en bedrijventerreinen verdienen een versnelling. Steden, wijken en gebouwen kunnen mooier.
Een vierde uitdaging vormt het integraal watermanagement. Het is van belang om een samenhangend beeld te creëren van de opgave om onze waterkeringen aan te passen aan de gevolgen van klimaatverandering en om op kosteneffectieve wijze te voldoen aan de opgave van de Kaderrichtlijn water om de waterkwaliteit te verbeteren.
Het kabinet wil deze periode maatregelen nemen waarmee in 2011 zal blijken dat de doelen voor 2020 gehaald kunnen worden. Invoering van nieuwe energie-efficiënte technologie is nodig, evenals het sluiten van internationale coalities en de introductie van marktprikkels. Het geheel aan maatregelen gericht op het bereiken van de doelstellingen, zal op basis van kosteneffectiviteit worden samengesteld. Het kabinet onderscheidt, binnen de relevante financiële kaders, vier elementen bij het realiseren van de klimaatambities.
Per sector wordt gedacht aan de volgende aanpak.
In de gebouwde omgeving is het streven dat alle nieuwe woningen en bedrijfsgebouwen vanaf 2020 energieneutraal worden opgeleverd. In de nieuwbouw en bestaande bouw wordt ingezet op innovatie en op aanscherping van bestaande normen.
In de energiesector is een internationaal level-playing field belangrijk, waarbij het accent op emissiehandel ligt. Het kabinet kiest voor verdere ontwikkeling van windenergie en verkent de optie van verdubbeling van windenergie op land. Er komen een of twee grote demonstratieprojecten voor CO2-afvang en -opslag.
In de industrie wil het kabinet met ten minste tien industriële branches komen tot concrete efficiency-afspraken, naar het voorbeeld van de papierindustrie, die in 2020 het energiegebruik met 50 procent verminderd wil hebben.
In de verkeers- en vervoerssector is nog een wereld te winnen. Strengere Europese normen voor personenauto's leiden tot een vijfde minder CO2-uitstoot bij nieuwe auto's. Het kabinet wil zuinige auto's en zuinig rijden bevorderen met belastingmaatregelen, verplichtingen voor biobrandstoffen en met andere manieren van betalen voor mobiliteit, waarbij niet het autobezit maar het autogebruik wordt belast.
In de agrosector wil het kabinet de ontwikkeling naar een energieneutrale glastuinbouw stimuleren. Het toekomstbeeld is dat in 2020 voor tuinbouwkassen het overschot aan zonne-energie in de bodem wordt opgeslagen om in het koude seizoen alsnog te worden gebruikt. Ook wil het kabinet de bijdrage van de landbouw aan duurzame energie vergroten.
Ook bij de Rijksoverheid zelf is werk aan de winkel. Het Rijk wil zo spoedig mogelijk klimaatneutraal zijn. Dat gebeurt zo veel mogelijk via energiebesparing en de inkoop van duurzame energie.
Er zijn consultatiegesprekken gevoerd met sectoren zoals de bouw, de energiesector, de industrie, de verkeer- en vervoersector en de landbouw. Daarnaast is gesproken met niet-gouvernementele organisaties en medeoverheden. De sectoren willen meewerken aan de klimaatdoelen zoals geformuleerd door het kabinet. De plannen worden nu in dialoog met het kabinet uitgewerkt.
De overheid kan als eerste grote afnemer van vernieuwende producten via haar inkoopbeleid een extra prikkel geven aan innovatie en duurzaamheid in het bedrijfsleven. Om vast te stellen wat onder 'duurzaam inkopen' wordt verstaan, worden voor alle relevante productcategorieën van overheidsbestedingen duurzaamheidcriteria opgesteld, van dienstauto's en catering tot grond-, weg- en waterbouw. Voor het overgrote deel gebeurt dit in 2007, de rest volgt in 2008. Dit kabinet kiest er voor om de criteria zo ambitieus mogelijk te stellen, voor zover dat financieel en juridisch mogelijk is. In 2010 moet een zo groot mogelijk deel van de ruim 40 miljard aan jaarlijkse overheidsbestedingen duurzaam worden ingekocht of aanbesteed. Met deze gezamenlijke marktmacht zal het bedrijfsleven in de richting van duurzamere producten worden gestuurd, die ook betaalbaar zijn. Begin 2009 zal het kabinet rapporteren over de voortgang van duurzaam inkopen bij de overheid
De overheid zoekt samenwerking met bedrijven die zelf duurzaam inkopen en met andere Europese landen die een vooruitstrevend duurzaam inkoopbeleid hebben.
Milieuvriendelijke producten en diensten moeten aantrekkelijker worden ten opzichte van niet duurzame alternatieven. Hiertoe zal het kabinet randvoorwaarden scheppen die consumenten en producenten stimuleren tot het maken van duurzame keuzes.
Het kabinet wil jaarlijks 80.000 tot 100.000 nieuwe woningen realiseren. Daarvoor is veel nodig. Zo dient er in verband met het regelmatig uitvallen van capaciteit die in streekplannen is voorzien, een overmaat van circa 130% plancapaciteit te worden nagestreefd. Daar de grondkosten voor woningbouw veelal hoger zijn dan de grondopbrengsten is de inzet van grondexploitatiesubsidies gewenst (z.g. BLS-subsidies). Met de corporaties wil het kabinet afspraken maken over een woningproductie van circa 40.000 woningen per jaar. Om tegemoet te komen aan de voorkeur voor eengezinswoningen is het van belang kleinere locaties, in en buiten stedelijke regio's, zoveel mogelijk te benutten.
Extra druk op mobiliteit en ruimte wordt voorkomen door 25% à 40% binnen bestaand bebouwd gebied te bouwen. Landschappelijk goed ingepaste locaties zijn bij voorkeur gelegen direct aan of nabij bestaand bebouwd gebied. Groen in en om de stad en goed openbaar vervoer horen erbij. Dit wil het kabinet bereiken door onder meer:
De aanwezigheid van voldoende bedrijventerreinen is een belangrijke voorwaarde voor een duurzame economische ontwikkeling van Nederland. Dit wordt gerealiseerd door een goede regionale coördinatie van herstructurering van bestaande terreinen, een verantwoorde uitgifte, goed beheer en zonodig aanleg van nieuwe terreinen. Met behulp van decentrale overheden, bedrijfsleven en andere belanghebbenden wordt een gedegen analyse uitgevoerd naar de problematiek van regionale samenwerking bij bedrijventerreinen en naar de wijze waarop ruimte voor bedrijvigheid slim en efficiënt gerealiseerd kan worden. Het kabinet komt dit jaar met verder uitgewerkte oplossingsrichtingen (waaronder mogelijk een fonds voor herstructurering) om de realisatie van de herstructureringsoperatie te versnellen en streeft naar verbetering van vormgeving, kwaliteit en ruimtelijke inpassing van bedrijventerreinen.
Het rijk maakt in 2009 met medeoverheden afspraken over de verstedelijking vanaf 2010. Dit gebeurt in afstemming met het in pijler 4 beschreven beleid voor de 40 wijken. Samen met alle betrokken partijen beziet het kabinet hoe met efficiënt ruimtegebruik voldoende woningen en arbeidsplaatsen in de gewenste woon- en werkmilieus gerealiseerd kunnen worden.
Het kabinet zet zich in om de kwaliteit van het Nederlandse landschap te
versterken en te zorgen voor meer en beter toegankelijke groene gebieden
rondom steden. Tevens streeft het kabinet naar een vitaal platteland met een
brede economische basis en voldoende voorzieningen.
Het kabinet wil dat bereiken door:
De Nederlandse natuur wordt eenvormiger. Het aantal verschillende soorten planten en dieren neemt af. We dreigen onze (inter)nationale natuurdoelstellingen niet te halen. Het kabinet wil die trend keren en investeert extra in natuur zodat de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) in 2018 kwantitatief is gerealiseerd. In 2015 zal tevens voldaan zijn aan Europese verplichtingen op het gebied van natuur (Natura 2000).
De afgelopen tijd zijn tientallen projecten bezocht waar natuur- en landschapsbeheerders, boeren, bewoners, maatschappelijke organisaties en medeoverheden heel hard werken aan de ontwikkeling en het behoud van prachtige natuur, waardevol landschap en aan het produceren van voedsel. De minister heeft de afgelopen tijd niet alleen de mensen die het met elkaar ééns waren, maar ook de tegenvoeters bij elkaar gebracht, om scherp te krijgen waar de uitdagingen precies liggen. Steeds weer werd de noodzaak onderstreept van een sterkere verbinding tussen markt, omgeving en samenleving, én tussen stad en land. Daarnaast onderstrepen maatschappelijke partijen de noodzaak tot modernisering van het monumentenstelsel (wetgeving en financiering).
In de Nota Dierenwelzijn wordt aangegeven welke verbeteringen worden beoogd, welke wetgeving hiervoor nodig is, hoe de financiering wordt vormgegeven en hoe de handhavingorganisatie kan worden verbeterd. Het kabinet stelt middelen ter beschikking voor onderzoek naar en ontwikkeling en demonstratie van nieuwe integraal duurzame en diervriendelijke stallen. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om meer ruimte per dier dan in de wettelijke eisen voor dierenwelzijn is vastgelegd. Het kabinet stelt tevens extra middelen beschikbaar voor het verbeteren van de handhaving van de huidige wet- en regelgeving omtrent dierenwelzijn, dierenmishandeling en -misbruik.
Ook in Europees verband maakt Nederland zich sterk voor een dialoog over het aanscherpen van wettelijke eisen voor dierenwelzijn.
Voor de komende eeuw is het klimaatbestendig maken van Nederland één van
de grootste ruimtelijke opgaven en de grootste opgave voor het waterbeheer.
Niet alleen het rijk, maar ook gemeenten, provincies en de waterschappen
hebben daar een gezamenlijke taak.
Er komen uitgangspunten voor een klimaatbestendige inrichting van Nederland,
op basis van een langetermijnonderzoek naar de kwetsbaarheid van de
Ruimtelijke Hoofd-structuur. Er komt bovendien een afwegingskader voor
locatiekeuze en inrichting van grootschalige projecten, gebiedsontwikkelingen
en investeringsprogramma's, op basis van de klimaatscenario's van het KNMI.
De anti-verdrogingsdoelstellingen in prioritaire natuurgebieden zullen worden
gerealiseerd. Budget uit de Nota Ruimte zal worden ingezet voor
integrale klimaatbestendige inrichting van gebieden zoals Haarlemmer-meer,
Zuidplas en Almere/IJmeer, maar ook voor kleinschalige projecten. Het kabinet
zal een nieuw beleidskader voor het IJsselmeer vaststellen.
De staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat heeft op tientallen locaties bekeken op welke manier water een rol speelt in het dagelijks leven van alle Nederlanders. In de nog voor de zomer uit te brengen samenhangende watervisie zullen de opgedane indrukken worden verwerkt.
De wateropgave vraagt nieuwe innovatieve concepten. Door een innovatieve benadering en door zaken in samenhang aan te pakken, kunnen we niet alleen betere resultaten boeken, maar ook de kosten zo laag mogelijk houden. Daarom moet water steeds worden verbonden met de opgaven voor natuur, infrastructuur, landbouw, recreatie en de (her)inrichting van het stedelijk gebied. Opgaven waar Nederland voor staat, spelen ook in veel andere landen. Water is niet alleen een kostenpost; onze kennis en ervaring is ook elders in de wereld waardevol en goed bruikbaar, bijvoorbeeld in kwetsbare delta's in ontwikkelingslanden.
Het kabinet wil in de eerste plaats zorgen dat de waterkeringen en de kustverdediging voldoen aan de wettelijke vereisten. Daarnaast is het van belang om voor de toekomst na te denken over de wijze waarop het waterveiligheidsbeleid rekening kan houden met risicoaspecten. Ten slotte wil het kabinet in samenwerking met betrokken partijen een integrale langetermijnvisie voor de ontwikkeling van de kust uitwerken.
De ruimtelijke opgaven op het terrein van verstedelijking, natuur en landschap en klimaat - die in de voorafgaande paragrafen afzonderlijk aan bod zijn gekomen - zijn complex van aard en vertonen op gebiedsniveau samenhang. Via integrale gebiedsontwikkeling wil het kabinet een samenhangende en kwaliteitsversterkende aanpak bevorderen. In een aantal concrete gebieden is dit nadrukkelijk een nationaal belang. Bijvoorbeeld bij Almere, de kust, het Groene Hart en het Rivierengebied. Het rijk heeft tot 2014 één miljard Euro beschikbaar om integrale gebiedsontwikkelingsprojecten van nationaal belang te ondersteunen. Het kabinet selecteert voor de zomer deze nieuwe projecten.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Energie | 125 | 250 | 375 | 500 |
| MEP | 51 | 51 | 51 | 51 |
| Pakket project Schoner en Zuiniger | 74 | 199 | 324 | 449 |
| Enveloppe Water en kust | 50 | 75 | 100 | 150 |
| Hoogwaterbescherming | 10 | 25 | 90 | |
| Waterkwaliteit | 50 | 65 | 75 | 60 |
| Enveloppe Natuur, EHS en vitaal platteland* | 25 | 50 | 75 | 100 |
| Landschap, natuur/EHS* | 7 | 25 | 48 | 75 |
| Handhaven dierenwelzijn | 2 | 4 | 5 | 5 |
| Overig (w.o. luchtkwaliteit, vitaal platteland) | 16 | 21 | 22 | 20 |
| Enveloppe Aandeel PF in EHS en vitaal platteland** | 15 | 20 | 35 | 50 |
| Landschap, natuur/EHS | 10 | 13 | 20 | 35 |
| Groen om de Stad | 5 | 7 | 15 | 15 |
De enveloppe Openbaar Vervoer is verplaatst naar pijler 2.
* Hiervan is 10 mln structureel onderdeel van bespreking met provincies over
besteding accres.
** In te vullen bij Bestuursakkoord
Om de MEP-regeling op peil te kunnen houden zal met ingang van 2008 51 mln structureel worden ingezet. Het gaat om extra uitgaven die tot meer productie van duurzame energie leiden dan beoogd door het vorige kabinet. De rest van de enveloppe zal in het kader van de ontwikkeling van een samenhangend pakket in het project Schoner en Zuiniger worden verdeeld. In dit project worden maatregelen voorbereid bovenop het bestaande beleid voor energie en klimaat. Daarbij zal worden aangesloten op initiatieven uit de sectoren zelf. Het gaat niet alleen om maatregelen die door de overheid worden bekostigd, maar ook om marktprikkels zoals regelgeving, verplichtingstelling en marktconforme instrumenten.
Voor versterking van de dijken wordt in de periode 2008-2011 additioneel aan de al beschikbare middelen, cumulatief 125 mln ingezet. De rest van de enveloppe zal ondermeer worden ingezet voor te ontwikkelen kosteneffectieve maatregelen voor de Kaderrichtlijn Water.
Bij de aanwending van de beide enveloppen voor natuur, EHS en een vitaal platteland zal rekening worden gehouden met onvermijdelijkheden en prioriteiten uit het Coalitieakkoord, de realisatie (kwantitatief) van de EHS in 2018, realisatie van groen rond de steden en de aanscherping van de samenhang binnen het ruimtelijk beleid. Voor het verbeteren van de handhaving van de huidige wet- en regelgeving omtrent dierenwelzijn, dierenmishandeling en -misbruik worden extra middelen uitgetrokken. Investeringen in luchtwassers in stallen zullen gestimuleerd worden: luchtwassers verminderen de uitstoot van zowel fijnstof als van ammoniak, wat de natuurcondities verbetert.
Naar bovenHet kabinet zet zich in voor een samenleving waarin mensen kunnen meedoen en worden gewaardeerd om wie ze zijn en niet om wat ze zijn. Sociale samenhang is het cement van de samenleving. Sociale samenhang begint thuis, de plek van zorg en geborgenheid. Daarom zet het kabinet in op een kind- en gezinsvriendelijk beleid. Maar ook in de buurt of de wijk moeten we oog hebben voor elkaar. Daarom zet het kabinet in op het verbeteren van wijken, zodat ze iedereen kansen bieden. De school is de plek waar het beste uit kinderen en jongeren wordt gehaald, maar waar ze ook voldoende bagage meekrijgen om als verantwoordelijke mensen bij te dragen aan de samenleving. Sociale samenhang moet ook herkenbaar zijn in de gezondheidszorg. In toegankelijkheid, kwaliteit en aandacht voor mensen.
Investeren in sociale samenhang is een belangrijke manier om het leven met elkaar vorm te geven. Samenhang tussen jong en oud, ziek en gezond, Nederlander en nieuwkomer. De komende vier jaar willen we een hernieuwde balans vinden tussen sociale samenhang en de behoefte aan verscheidenheid.
Al een aantal jaren geven Nederlanders aan dat de manier waarop we met elkaar omgaan het belangrijkste maatschappelijke probleem is. Er is nadrukkelijk behoefte aan meer sociale samenhang. Om dit te realiseren moeten participatie, emancipatie, integratie en de zorg voor elkaar bevorderd worden. Het versterken van de sociale samenhang betekent investeren in mensen en in de manier waarop mensen met elkaar en met hun leefomgeving omgaan. De kracht van wijken, buurten en dorpen moet beter worden benut.
Samenhang begint in het gezin. Hier zijn mensen elkaar tot steun en worden kinderen opgevoed. Samenleven, elkaar respecteren en het leren van gemeenschappelijke waarden en normen beginnen daar. Goed onderwijs voor iedereen draagt hieraan bij, net als goed samenwerkende organisaties voor jeugdzorg en jeugdbescherming. De kracht en kwaliteit van de samenleving wordt verder bepaald door onderlinge betrokkenheid en de mate waarin burgers in staat zijn om in hun eigen levensonderhoud te voorzien. Een hoog niveau van participatie is hiervoor noodzakelijk. Het geeft burgers gevoel van eigenwaarde, biedt mogelijkheden voor integratie en is nodig voor het draaiende en betaalbaar houden van de samenleving. Participatie hoeft niet alleen via betaald werk. Mensen die zich inzetten voor een sportvereniging of de leefbaarheid in hun buurt, of die als mantelzorger actief zijn, leveren ook een onmisbare bijdrage aan de sociale samenhang. Als mensen elkaar niet verder kunnen helpen, zal iedereen die zorg nodig heeft moeten kunnen terugvallen op goede en betaalbare zorgvoorzieningen.
Om een zo hoog mogelijke (arbeids)participatie en een geslaagde integratie te bereiken, is de ontwikkeling van het individu en van groepen in de samenleving nodig. We weten dat er steeds meer kennis en vaardigheden worden gevraagd om op de arbeidsmarkt mee te kunnen komen. We weten ook dat met name onder allochtonen nog veel onbenut talent aanwezig is. We zullen de komende jaren ook deze talenten aan moeten spreken. Daar zijn niet alleen zijzelf, maar is ook de hele samenleving bij gebaat.
Voor goede ondersteuning is de vorming van Centra voor Jeugd en Gezin
cruciaal. Met het oog op de noodzakelijke afstemming en samenwerking tussen
uit-voerende instanties is voor jeugdigen in alle leeftijden een goede
verbinding tussen deze centra en andere instanties van groot belang. Vanuit
het onderwijs zijn de afgelopen jaren goede ervaringen opgedaan met
multidisciplinaire samenwerking via de Zorg- en Adviesteams (ZAT's). Het
kabinet blijft de vorming van ZAT's ondersteunen. Het kabinet bepaalt in 2008
aan de hand van de uitkomsten van een pilot wat verder nodig is om de
kwaliteit van de ZAT's te versterken.
Vanaf 2009 zal de hele jeugdgezondheidszorg, inclusief de Centra voor Jeugd
en Gezin,
het Elektronisch Kinddossier gebruiken. Vanaf 2009 kunnen alle gemeenten en
de instellingen die zich bezighouden met jongeren, zorgleerlingen,
risicosignalen over jongeren melden bij de Verwijsindex Risicojongeren. De
ICT-toepassing voor de Verwijsindex is gebouwd en wordt momenteel getest.
Rond de zomer van 2007 zullen de eerste gemeenten hiermee
proefdraaien.
In de dialoog werd steeds weer opgemerkt dat goede samenwerking tussen
instanties nodig
is om problemen met jongeren tijdig te signaleren en er adequaat op te
reageren. Zo'n samenwerking komt alleen niet vanzelf tot stand. Zoals
burgemeester Cohen van Amsterdam het treffend omschreef naar aanleiding van
de recente ophef over een probleemgezin in Amsterdam: "met de beste
bedoelingen wordt langs elkaar heen gewerkt". Het stimuleren van hechte
samenwerking waarbij het kind centraal staat blijft dus een belangrijk
aandachtspunt.
Het kabinet heeft de sector gevraagd de maximale wachttijden voor de geïndiceerde jeugdzorg, die nu maximaal 9 weken is, tegen het licht te houden en nieuwe normen vast te stellen. Tot dat moment wordt het nauwlettend bewaakt dat de termijn van negen weken wordt aangehouden. In 2008 wordt gestart met de invoering van de nieuwe en efficiëntere werkwijze in de jeugdbescherming. Die houdt in dat in spoedeisende situaties binnen één week een kinderbeschermingsmaatregel wordt genomen. In alle andere gevallen gebeurt dat uiterlijk binnen twee maanden. Vanaf eind 2008 werken alle gezinsvoogdijwerkers volgens een effectievere methode en hebben ze minder kinderen onder hun hoede. In 2009 geldt dit ook voor de voogdij. Tenslotte is in 2010 nieuwe wetgeving ingevoerd die maatwerk mogelijk maakt wanneer in gezinnen wordt ingegrepen. De aanpassing van de kinderbeschermingswetgeving zal in de loop van 2008 bij de Kamer worden ingediend.
Zowel cliënten als de betrokken veldorganisaties en deskundigen dringen sterk aan op snelle en effectieve hulp, waarbij het kind centraal staat.
Eind juni 2007 komt het kabinet met een plan van aanpak waarin de ambitie en werkwijze ter voorkoming van kindermishandeling wordt geschetst. In dit plan zullen de volgende drie kerndoelen verdere uitwerking krijgen:
Kindermishandeling maakt in de samenleving keer op keer veel emotie los. Bovendien blijkt uit onderzoek dat het veel vaker voorkomt dan we dachten. Toch ervaren buren, agenten of onderwijzers nog te vaak een drempel in het melden of bespreekbaar maken. Het College Bescherming Persoonsgegevens gaf onlangs aan dat de privacywetgeving niet in de weg staat bij melding van kindermishandeling door professionals. De behoefte aan een omvattende aanpak wordt breed ondersteund.
Elk kind verdient de kans op een goede opvoedings- en opgroeisituatie. Het
grootste deel van de Nederlandse jeugd groeit gelukkig op in het eigen gezin.
Dat moet zo blijven. Het kabinet wil voorkomen dat het aantal jeugdigen met
problemen toeneemt. Met de Centra voor Jeugd en Gezin ontstaat een centraal
punt voor opgroei- en opvoedingsvragen voor ouders en kinderen. Daar worden
problemen voorkomen of vroeg gesignaleerd en als het nodig is gevolgd door
actie.
Het kabinet wil deze doelstelling bereiken door lokale ervaringen te
inventariseren en te delen. De zeven grote gemeenten delen hun ervaring met
het opzetten van een Centrum voor Jeugd en Gezin met tien middelgrote en
kleine gemeenten. Zo ontstaan aanbevelingen en randvoorwaarden voor de aanpak
in alle andere gemeenten. Het kabinet zal de contouren verder uitwerken tot
een 'basismodel Centrum voor Jeugd en Gezin', dat wettelijk wordt verankerd.
Dit doen we in nauwe samenwerking met brancheorganisaties (GGD-Nederland,
Actiz, MO-groep) en het IPO en de VNG. Voor deze kabinetsperiode zullen we
een specifieke uitkering (brede doeluitkering) instellen. Op termijn kan deze
brede doeluitkering worden overgeheveld naar het Gemeentefonds.
Het kabinet zal op korte termijn een concreet uitgewerkt plan presenteren aan
de Tweede Kamer.
Uit werkbezoeken en uit de dialoog met brancheorganisaties en verenigingen van medeoverheden is gebleken dat er veel enthousiasme is om de Centra voor Jeugd en Gezin te realiseren en daarbij een goede verbinding te leggen met o.a. de Zorg- Adviesteams (ZAT's). Volgens jeugdhulpverleners, politie, verpleegkundigen, wijkwerkers hangen veel gedrags- en leerproblemen samen met de gezinssituatie. Dat betekent dat een effectieve preventie niet buiten de gezinnen om kan. Sociale, economische, culturele en psychische problemen grijpen in elkaar en vragen om integrale aanpak waarbij hulpverleners elkaar informeren en versterken.
Vergeleken met de landen om ons heen, is de arbeidsparticipatie in
Nederland hoog.
Met een netto-participatie in personen van 70% zitten we boven het
EU-gemiddelde en voldoen we op tijd aan de ambities van de Lissabon-agenda
van de Europese Unie. Toch blijft de participatie van verschillende groepen
achter. Het gaat dan vooral om etnische minderheden, ouderen (45-plus) en
vrouwen (vooral het aantal gewerkte uren). Deze groepen benutten hun
potentieel nog niet genoeg. Naast 'meer mensen aan het werk' is ook 'langer
werken' nodig om de gevolgen van de vergrijzing en de ontgroening op te
vangen.
De Sociaal Economische Raad heeft aangegeven dat een verhoging van de
arbeidsparticipatie naar 80% noodzakelijk is voor de houdbaarheid van de
collectieve voorzieningen in ons land.
Om de arbeidsparticipatie en het aantal gewerkte uren te verhogen, spreekt
het kabinet met sociale partners en andere relevante organisaties over de
volgende maatregelen:
De SER heeft in het recente advies voor de middellange termijn gerealiseerd ook aangegeven dat een extra stijging van de arbeidsparticipatie noodzakelijk is om in de toekomst de vergrijzingslast op te vangen. Partijen hebben zich gecommitteerd aan een participatiedoelstelling van 80%, te bereiken in 2040. Omdat het arbeidsaanbod vanaf 2016 niet of nauwelijks meer toeneemt, moet dit niveau al in 2016 worden bereikt. Met sociale partners wordt verder verkend welke maatregelen nodig zijn om deze ambities van de SER te verwezenlijken. Een concrete uitwerking zal uiteindelijk zijn beslag krijgen via het project 'Iedereen doet mee' .
Het project richt zich op drie terreinen. Ten eerste een verdere verhoging van de arbeidsparticipatie, langs de lijnen van het middellange-termijn-advies van de SER. Een goed werkende arbeidsmarkt is hierbij nodig. Die kan worden bereikt door de overgang van uitkering naar werk te vergemakkelijken, onder meer via fiscale instrumenten en afspraken met uitvoerders, gemeenten en sociale partners. Ook een soepele overgang van school naar werk en van de ene baan naar de andere zijn van belang voor een goed werkende arbeidsmarkt. Het tweede terrein waar het project zich op richt, is het vergroten van de maatschappelijke participatie. En het derde is het bevorderen van ondernemerschap, met name vanuit een uitkeringssituatie.
De afgelopen drie maanden zijn acht dialoogdagen georganiseerd. Werkbezoeken zorgden voor een goede kijk op de praktijk. Gesprekken met landelijke en lokale bestuurders, regionale uitvoerders en vertegenwoordigers van belangenorganisaties gingen over het oplossen van knelpunten in het beleid. Elke dialoogdag had een eigen thema. Zo ging het onder meer over leren en werken, armoedebestrijding en schuldhulpverlening, maatschappelijke participatie, werk voor allochtonen en ondernemerschap. De ideeën en aangedragen oplossingen worden gebruikt bij de verdere uitwerking van het project 'Iedereen doet mee', die met Prinsjesdag 2007 verschijnt.
Ondanks de gunstige economische situatie lukt het een deel van de uitkeringsgerechtigden niet om betaald werk te vinden. Op dit moment kent Nederland ruim 1,2 miljoen mensen die afhankelijk zijn van een uitkering. Het aantal vacatures is opgelopen tot over de 200.000. In overleg met uitvoeringsinstellingen, gemeenten en sociale partners wil het kabinet de komende periode bevorderen dat meer mensen met een grote afstand tot de arbeidsmarkt een plaats vinden op de reguliere arbeidsmarkt. Belangrijke bouwstenen om tot een hogere instroom op de arbeidsmarkt te komen zijn:
In overleg met sociale partners en gemeenten worden afspraken gemaakt over de extra inzet voor mensen aan de onderkant van de arbeidsmarkt. De gemaakte afspraken zullen worden bewaakt in het kader van het project 'Iedereen doet mee'.
Het kabinet gaat analyseren wat nu de opbrengst is van de inburgering.
Deze analyse wordt gebruikt bij het maken van een plan dat de kwaliteit van
de inburgering moet verbeteren. Dit plan zal daarna ook worden
uitgevoerd.
Op 1 januari 2007 is het nieuwe inburgeringsstesel in werking getreden. Het
kabinet stimuleert en faciliteert gemeenten om de inburgering voortvarend ter
hand te nemen.
Als blijkt dat zich in de praktijk knelpunten voordoen, zal worden bekeken
hoe deze knelpunten kunnen worden opgelost. Daar waar mogelijk wordt de
regelgeving vereenvoudigd.
De inburgeringsvoorzieningen moeten in ieder geval beter gaan aansluiten bij
de kennis en kunde van de persoon die gaat inburgeren. Ook moet meer rekening
worden gehouden met welk doel iemand inburgert. Maatwerk moet leiden tot
betere participatie. Er zal ook een stelsel met gedifferentieerde
examenniveaus komen.
In 2011 zal 80% van de inburgeringsvoorzieningen duaal worden uitgevoerd
(onder andere met gecombineerde reïntegratie- en inburgeringsvoorzieningen).
Om dit te realiseren investeert het kabinet in het verhogen van de kwaliteit
van de gecombineerde voorzieningen en het verbeteren van de samenwerking
tussen en met de uitvoeringsinstanties.
Er zijn gesprekken gevoerd met wetenschappers, professionals en inburgeraars om inzicht te krijgen in de oorzaken van achterblijvende resultaten bij de inburgeringcursussen. Inburgeren heeft alleen kans als deze activiteiten gekoppeld worden aan scholing, werk, opvoedingsondersteuning en maatschappelijke participatie. Er dient meer maatwerk te worden gerealiseerd dat enerzijds aansluit bij de capaciteiten van de inburgeraar en anderzijds bij de gewenste verdere ontwikkeling van die inburgeraar. Ook dienen eventuele belemmeringen in de persoonlijke levenssfeer te worden aangepakt. Dat vraagt om een samenhangende aanpak. Er is een zekere discrepantie tussen de vaak stedelijke (soms zelfs regionaal) georganiseerde voorzieningen en de behoefte aan laagdrempelige voorzieningen in de wijk om met name allochtone vrouwen te bereiken. Veel allochtone vrouwen willen na het volgen van een inburgeringscursus vaak meer, zoals het volgen van beroepsonderwijs en een betaalde baan. Hier ligt een belangrijke emancipatiekans. Ook voor de samenleving is het van belang die kansen te grijpen: deze vrouwen zijn hard nodig in bijvoorbeeld zorg, kinderopvang en onderwijs.
Het aantal vrijwilligers en mantelzorgers dreigt af te nemen. Goede en voldoende ondersteuning en begeleiding zijn nodig om de huidige vrijwilligers en mantelzorgers te behouden én nieuwe groepen voor dit uiterst belangrijke werk te winnen. Steunpunten vervullen daarbij - zo blijkt uit de praktijk - een cruciale rol. Het kabinet zet daarom in op een intensivering van de kwaliteit en kwantiteit van mantelzorg- en vrijwilligersorganisaties, waaronder sportverenigingen. Ook zal deelname van allochtonen en in het bijzonder allochtone vrouwen aan mantelzorg- en vrijwilligers-organisaties worden gestimuleerd. Belangrijk hulpmiddel hierbij is de landelijke verspreiding van het project '1001Kracht'. Doel van dit project is de deelname van 50.000 extra vrouwen in het vrijwilligerswerk.
Met de VNG zal het kabinet afspraken maken over de inzet. De gemaakte afspraken zullen worden bewaakt in het kader van het project 'Iedereen doet mee'.
De emancipatie in Nederland is niet af. Nederland loopt internationaal
gezien achter bij het aantal vrouwen in topposities en de arbeidsdeelname van
vrouwen in voltijdse arbeidsjaren. Ook worden vrouwen nog niet gelijk beloond
voor gelijk werk. Er zal een nieuwe impuls aan het emancipatiebeleid en aan
het homo-emancipatiebeleid worden gegeven. De overheid zal zelf het goede
voorbeeld geven bij het benoemen van vrouwen in topposities en het
verminderen van beloningsverschillen tussen vrouwen en mannen.
Discriminatie van en geweld tegen homoseksuelen wordt krachtig bestreden. Er
zal actief worden gewerkt aan sociale acceptatie van homoseksualiteit onder
jongeren (o.a. van leraren en leerlingen op scholen), in de sport en in
etnische gemeenschappen waarin homoseksualiteit nog niet of nauwelijks
bespreekbaar is. Rond Prinsjesdag 2007 presenteert het kabinet een nieuwe
emancipatienota waarin nader uitgewerkt zal worden welke impulsen er worden
gegeven.
Bij de voorbereiding van de emancipatienota zal een uitgebreide consultatie plaatsvinden met vrouwenorganisaties en met homo-organisaties.
Kennis, kwaliteit en ambitie zijn kernwoorden voor het onderwijsbeleid van
dit kabinet. Talenten moeten maximaal worden aangeboord en
ontwikkeld.
De kwaliteitsverbetering begint in het basisonderwijs. Daar wordt het
fundament voor het vervolgonderwijs en de latere kwalificatie gelegd. Basis-,
voortgezet- en beroepsonderwijs moeten naadloos op elkaar en op het hoger
onderwijs aansluiten. Het kabinet zal op verschillende manieren en in overleg
met onderwijsinstellingen de volgende maatregelen in gang
zetten.
Maatregelen gericht op de inhoud van het onderwijs:
Maatregelen gericht op het proces van het onderwijs:
Maatregelen gericht op het bestuur en het toezicht:
De samenleving stelt hoge eisen aan de kwaliteit van het basis-, voortgezet en middelbaar beroepsonderwijs. Volgens internationale studies en rapportages van de onderwijsraad staat het Nederlandse onderwijs op een hoog niveau. Er zijn ook minder goede berichten. Deelnemers aan het debat over het nieuwe leren mopperen over het kennistekort bij jongeren. Studentenorganisaties klagen over de weinige lesuren en voortijdige uitval. Ook denken zij dat talent wordt onderbenut. Er is veel discussie over de beheersing van de basisvaardigheden taal en rekenen. Ook de kwaliteit van het speciaal (basis)onderwijs vraagt volgens betrokkenen extra aandacht.
Vanaf 2010 dreigt er door de vergrijzing een fors tekort aan leraren,
vooral in het voortgezet onderwijs (3.300 leraren in 2011). In het
basisonderwijs wordt een tekort aan schoolleiders verwacht. Zonder
maatregelen zal het tekort aan managers oplopen tot 500 in 2011 (op dit
moment zijn er al 150 vacatures). De vervangingsvraag in het mbo stijgt in
2010 naar 1860 leraren. De onderwijssector moet op grote schaal nieuw, goed
gekwalificeerd personeel aantrekken op een moment dat de arbeidsmarkt
aantrekt. De positie en de kwaliteit van de leraren moet ook worden
verbeterd.
Het kabinet wil dit bereiken door onder meer:
In mei jongstleden is een commissie onder leiding van de heer A. Rinnooy Kan ingesteld die gevraagd is een advies uit te brengen over het verder professionaliseren van het beroep leraar, het tegengaan van werkdruk en het terugdringen van het lerarentekort. Het kabinet zal dit rapport na de zomer van 2007 ontvangen en daarna met voorstellen komen.
Er moet een betere afstemming komen tussen de nu bestaande voorzieningen van kinderopvang, peuterspeelzalen en voorschoolse educatie. Om dit te bereiken, zijn de volgende maatregelen in voorbereiding:
In gesprekken met verschillende betrokkenen heeft het kabinet een groeiende behoefte geconstateerd aan betaalbare en kwalitatief goede voorzieningen waar kinderen niet alleen worden opgevangen, maar waar ook hun ontwikkeling wordt gestimuleerd. Op dit moment worden deze diensten gescheiden aangeboden in kinderdagverblijven en peuterspeelzalen. Daar moet verandering in komen. Ouders willen hun kinderen 'met een gerust hart' toevertrouwen aan deze voorzieningen. Stimulering van taalontwikkeling is hierbij van groot belang. Vooral voor kinderen die thuis (nog) onvoldoende Nederlands aangeboden krijgen. Hoe eerder daarmee wordt begonnen, hoe beter het is. Het draagt bij aan een betere ontwikkeling op school en uiteindelijk een betere arbeidsmarktpositie. Investeren in voor- en vroegschoolse educatie is dus noodzakelijk om onderwijsachterstanden te voorkomen en te bestrijden.
Het kabinet wil het concept van brede scholen actief stimuleren. Dit willen we bereiken door:
Op veel plaatsen zijn scholen ontstaan die een samenhangend pakket aan voorzieningen bieden waardoor de ontwikkelingsmogelijkheden van kinderen toenemen. In het basisonderwijs bieden brede scholen vaak een compleet dagarrangement aan. In het voortgezet onderwijs kunnen, net als in het basisonderwijs, de bibliotheek, cultuurvoorzieningen of sportverenigingen onderdeel uitmaken van het aanbod. Tijdens werkbezoeken bleek dat met name in de 40 probleemwijken de behoefte aan deze voorzieningen groot is. Organisaties uit onderwijs, cultuur, sport en zorg die willen participeren in de brede school ontbreekt het vaak aan tijd en geld om concrete invulling te geven aan de doelstelling, de samenwerking en het bredere aanbod. Nu kunnen deze organisaties ook niet alles uit kinderen halen wat er in zit.
Het kabinet wil schooluitval voorkomen door de zorg op de scholen zelf te verbeteren. Daarom de volgende maatregelen:
Nieuwe maatregelen:
Een Haagse jongen van 16 was net uit de gevangenis en liep rond op straat. Hij ging niet naar school. Een jongerenwerker zet hem uiteindelijk op het juiste spoor en hij nu gaat een modeopleiding doen. Een Surinaamse vrouw van 23, vijf keer afgewezen bij mbo-opleidingen, tot tranen geroerd als ze haar verhaal doet voor een groot publiek. En een publiek vol docenten, leerplichtambtenaren en andere hulpverleners, die met haar meevoelen. Het aanpakken van voortijdig schoolverlaten is mensenwerk. Want iedere schoolverlater heeft zijn eigen problemen, van grote schulden tot een vervelende thuissituatie. Voor de aanpak past een persoonlijke benadering, want iedere jongere is uniek.
Het kabinet wil dat alle leerlingen die vanaf schooljaar 2007-2008
instromen in het voortgezet onderwijs op een bepaald moment in hun opleiding
een maatschappelijke stage volgen. De komende jaren zal het aantal stages en
stageplekken gefaseerd worden opgebouwd, waarbij speciale aandacht besteed
zal worden aan de begeleiding van stagiaires op de werkplek.
Om tot concrete uitvoering te komen, zal na de zomer een aan de realiteit
getoetst plan van aanpak klaar zijn. Hierbij zal ook worden bekeken hoe de
stageplekken zich verhouden tot de stageplaatsen in het reguliere
lesprogramma in het vmbo/mbo. Er zal worden geleerd van bestaande ervaringen
zoals de initiatieven waarbij scholieren achterstandswijken adopteren,
sportactiviteiten organiseren en gedurende hun maatschappelijke stage een
steentje bijdragen aan de ontwikkeling van hun wijk. Ook bestaan er nu al
initiatieven om maatschappelijke stageplekken te creëren die het behoud van
onze leefomgeving ten goede komen. Het is de moeite waard deze voorbeelden
mee te nemen om te onderzoeken of partijen in het landschapsbeheer, maar ook
buurtorganisaties en woningcorporaties kunnen voorzien in bijdragen 'in
natura', bijvoorbeeld in de vorm van stagebegeleiders.
Uit onderzoek en uit gesprekken in het land blijkt dat, naast kritische
kanttekeningen, er veel steun is van de Nederlandse bevolking voor de
maatschappelijke stage. Ook uit rondetafelgesprekken die de afgelopen maanden
met vertegenwoordigers van de onderwijssector, vrijwilligersorganisaties en
experts zijn gevoerd blijkt dat maatschappelijke stages vooral worden ervaren
als positief, effectief en maatschappelijk relevant. Wel wordt het belang
benadrukt van een haalbare maatvoering, mogelijkheden voor begeleiding op de
werkplek, alertheid op mogelijke concurrentie van stages onderling en
voldoende ruimte voor scholen om zelf invulling te geven aan de stage, zodat
deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs.
Bij het gesprek met burgers op 21 mei werd specifiek het voorstel gedaan om
de maatschappelijke stage ook te benutten voor de inburgering: jongeren
kunnen dan fungeren als een zogenaamde 'inburgeringbuddy'. Het kabinet zal
deze suggestie meenemen in haar plan van aanpak.
De maatregel gratis schoolboeken in het voortgezet onderwijs zal in het schooljaar 2008/2009 geleidelijk worden ingevoerd, en volledig per schooljaar 2009/2010. Op deze manier wordt een bijdrage geleverd aan de beheersing van kosten voor kinderen. De vormgeving en modaliteit wordt in de begroting 2008 van het ministerie van OCW uitgewerkt.
Het kabinet wil gemeenten meer ruimte geven voor gericht armoedebeleid, zo
mogelijk gecombineerd met het vergroten van de arbeidsparticipatie. Ook wil
het kabinet het niet-gebruik van inkomensondersteunende voorzieningen
tegengaan.
Het kabinet heeft met de VNG de volgende afspraken gemaakt over de
bestrijding van armoede:
Uit gesprekken met gemeenten blijkt tevredenheid over de Wet Werk en Bijstand. Gemeenten geven wel aan graag meer ruimte te willen hebben om op lokaal niveau maatwerk te (kunnen) leveren bij het ondersteunen van die mensen voor wie nog geen inkomenszekerheid bestaat. Diezelfde wens werd ook geuit in het gesprek met burgers op 21 mei. Het kabinet heeft toen ook toegezegd die suggestie op te zullen pakken.
Het aantal mensen dat de afgelopen jaren een beroep op schuldhulpverlening heeft gedaan, is de afgelopen jaren fors toegenomen. Gemeenten vervullen een sleutelrol bij schuldhulpverlening. De minnelijke schuldhulpverlening is een taak die van oudsher door en in gemeenten wordt uitgevoerd. De afgelopen tijd zijn al veel acties in gang gezet om de schuldenproblematiek het hoofd te bieden. Er vindt regelmatig bestuurlijk overleg plaats met een groot aantal betrokkenen (departementen, gemeenten, energiebedrijven, thuiswinkelorganisatie, zorgverzekeraars). In deze bestuurlijke overleggen zijn knelpunten geïnventariseerd en is de aanpak ervan in gang gezet. Het kabinet heeft met de VNG de volgende concrete afspraken gemaakt:
In gesprekken met betrokkenen is een aantal knelpunten in de minnelijke schuldhulpverlening boven tafel gekomen. Het betreft onder meer de volgende punten:
Dit najaar worden charters afgesloten met de 18 gemeenten waar de 40
wijken zich bevinden. De gemeenten worden gevraagd per wijk plannen op te
stellen in overleg met bewoners, lokale organisaties en instellingen over te
behalen resultaten. Maatwerk, gebaseerd op de lokale situatie en behoeften,
staat hierbij voorop.
Het kabinet vraagt de gemeenten bij het opstellen van de plannen de volgende
maatregelen te betrekken:
Om te voorkomen dat andere wijken in een negatieve spiraal komen, zullen de ervaringen en 'good practices' van de 40 wijken beschikbaar worden gesteld aan de overige gemeenten.
De 40 wijken zijn voor de zomer allemaal bezocht. Hoofdconclusie is dat de fysieke aanpak in de steden en wijken op de rails staat. Het sociale terrein blijft achter: er is vaak sprake van een projectentombola, een kloof tussen beleidsmakers en -uitvoerders en men werkt vanuit de instituties en niet vanuit (de problemen van) de burger. In de wijken schieten de voorzieningen voor jongeren vaak tekort. Op vele terrein is er sprake van opeenstapeling van problemen. Overigens geven bewoners aan dat ze de term 'probleemwijk' als negatief ervaren en juist vanuit een positieve invalshoek aan verbetering willen bijdragen. Dat dit kan bewijst het project 'Nieuwe coalities voor de wijk', waarbij 13 stedelijke gebieden zijn 'geadopteerd' door teams van bestuurders en deskundigen op rijks- en lokaal niveau. Zij doen aanbevelingen voor het doorbreken van blokkades en tegenwerkingen in de aanpak van achterstandswijken. Deze worden meegenomen in het actieplan Krachtwijken.
45 Kwaliteit van de zorg zichtbaar verhogen in 2011 ten opzichte van 2006 door:
Bij de veiligheid van patiënten is geen ruimte meer voor vrijblijvendheid.
Het kabinet en de zorgsector maken in 2007 afspraken over het terugdringen
van vermijdbare fouten. Daarvoor zal een actieplan 'Veilige zorg' opgesteld
worden. Onderdeel daarvan zijn onder andere campagnes over veilige zorg en
medicatieveiligheid en een veiligheidsmanagementsysteem (VMS) in alle
zorginstellingen.
In 2011 is er meer inzicht in de kwaliteit van de zorginstellingen. Naast de
gegevens van de 80 aandoeningen, kunnen burgers in 2011 op kiesbeter.nl voor
bijna de hele verpleging, verzorging en thuiszorg inzicht krijgen in aanbod
en kwaliteit. Het meten en zichtbaar maken van (verschillen in) kwaliteit is
essentieel voor permanente kwaliteitsverbetering van instellingen en mensen
die in de zorg werken. Onderdeel van kwaliteitsbeoordeling wordt ook het
oordeel van patiënten en cliënten in de zorg. In de openbare gezondheidszorg
zal het gebruik van richtlijnen, certificering en keurmerken toenemen.
Voor cliënten is de belangrijkste graadmeter voor kwaliteit van zorg de
ervaring van medecliënten. Het kabinet zal het meten van cliëntenervaringen
in de gehele zorg stimuleren en de invoer van een nieuwe methodiek in 2009 in
alle zorgsectoren in de AWBZ gerealiseerd hebben. Het kabinet bevordert ook
dat in 2010 van alle zorgsectoren in de AWBZ de kwaliteitsinformatie op
kiesbeter.nl verschijnt.
Om de positie van de patiënt/cliënt te versterken, zal het kabinet een
wettelijk kader ontwikkelen waarin kwaliteit van de zorg vanuit belangen van
de zorgconsument benaderd wordt. Ook zal het kabinet de positie van
patiëntenorganisaties als derde macht naast zorgaanbieders en
zorgverzekeraars verder versterken. Het kabinet wil kwaliteit van zorg
meer vanuit het perspectief van patiënten en cliënten beoordelen. De
informatie over de kwaliteit van organisaties wordt openbaar gemaakt door
middel van de zogenoemde CQ-index. Voor wat betreft de langdurige zorg zal
het kabinet de afspraken over 'het zorgplan' beter onder de aandacht van
betrokkenen brengen.
In de afgelopen maanden is uitvoerig met zorgaanbieders, zorgverzekeraars,
patiënten- en cliëntenorganisaties en andere betrokkenen gesproken over de
agenda voor de toekomst van de gezondheidszorg. Met de koepels van
ziekenhuizen, specialisten en verpleegkundigen wordt in juni een
streefpercentage vastgesteld voor het terugdringen van vermijdbare fouten.
Het actieplan 'Veilige zorg' wordt ook afgestemd met de Inspectie voor de
Gezondheidszorg.
De maatregelen om kwaliteitstransparantie handen en voeten te geven, komen in
samenwerking met de zorgsector en patiënten- en cliëntenorganisaties tot
stand.
Tijdens werkbezoeken en gesprekken met zorginstellingen en
cliëntenorganisaties heeft het kabinet geconstateerd dat al veel
verbeteringen in de kwaliteit van de zorg zichtbaar zijn. Wel is duidelijk
dat meer 'vraaggericht werken' door instellingen nodig is voor een betere
kwaliteit van het zorgaanbod.
Bovengenoemde maatregelen zijn in lijn met de wensen van de verschillende
cliënten- en patiëntenorganisaties waarmee het kabinet gesprekken heeft
gevoerd. Met name de NPCF heeft aangedrongen op het beter en inzichtelijker
vastleggen van de rechten van patiënten en cliënten.
De zorgsector staat voor een stevige opgave. Door vergrijzing en ontgroening neemt de zorgvraag toe terwijl tegelijkertijd het arbeidsaanbod afneemt. Samen met anderen onderneemt het kabinet op meerdere fronten actie om het arbeidsaanbod te verbeteren. Doel hierbij is het vergroten van de zorgcapaciteit en het aantrekkelijk houden van het werken in de zorg. De hoogste prioriteit hebben imagoverbetering, het verminderen van de administratieve lasten en het stimuleren van innovaties en ICT die de werkdruk van de werkers in de zorg verminderen en het invoeren uiterlijk in 2009 van het landelijk elektronisch patiëntendossier (EPD). In overleg met de zorgsector werkt het kabinet aan verschillende oplossingsrichtingen, zoals het verbeteren van de instroom door o.a. stagebegeleiding, verbetering van de aansluiting van het onderwijs op de arbeidsmarkt en het stimuleren van de instroom van lager opgeleiden. Ook verkent het kabinet maatregelen om de huidige capaciteit in stand te houden en uit te bouwen door middel van scholingstrajecten en ontwikkelingsmogelijkheden, functiedifferentiatie en het verhogen van deeltijdpercentages en werkzame tijd in de zorg. Tezamen moet dit leiden tot een stijging van de tijd die beschikbaar is voor patiëntgerichte zorg met 15% ('meer handen aan het bed').
Tijdens een aantal werkbezoeken in het land heeft het kabinet met zorginstellingen en opleiders gesproken over werving en behoud van werkers in de zorg. Daar bleek onder meer dat er zeker mogelijkheden voor verbetering zijn. Te denken valt aan: praktijkbegeleiding (stages), het opheffen van tegenstrijdigheden in regelgeving, de beeldvorming rondom het beroep en het vergroten van het plezier in het werk.
Onbedoeld zwangere meisjes en tienermoeders worden soms verstoten door het gezin waarin zij zijn opgegroeid vanwege schaamte en eergevoel. Deze meisjes hebben specifieke hulp en opvang nodig om hen voor te bereiden op een zelfstandig bestaan met kind (en eventueel partner). Daarom zal aan de hulpverlening en opvang van onbedoeld zwangere meisjes en tienermoeders een extra impuls worden gegeven.
Het kabinet wil zorg dragen voor goede zorg en begeleiding van mensen in hun laatste levensfase. Daarmee is het verbeteren en versterken van de palliatieve zorg één van de prioriteiten van dit kabinet. Op basis van gesprekken met relevante partijen uit het veld over ervaren knelpunten en de mogelijke ontwikkel- en verbeterpunten in de palliatieve zorg wordt een plan van aanpak gemaakt. Met de uitgangspunten van het overheidsbeleid als fundament, is dit plan gericht op het bereiken van de best mogelijke kwaliteit van leven voor de patiënt en zijn omgeving in de palliatieve fase. De rol van vrijwilligers neemt hierin een bijzondere plaats in.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Integratie | 50 | 100 | 200 | 150 |
| Deltaplan Inburgering/overige maatregelen (1) | 50 | 100 | 200 | 150 |
| Enveloppe WAO-WIA-Brugbanen | 665 | 655 | 565 | 520 |
| Uitkeringsverhoging WAO/WAZ/Wajong en herbeoordeling 45- 50 jarigen | 505 | 496 | 483 | 456 |
| 10.000 brugbanen voor herbeoordeelden | 60 | 75 | 10 | |
| Schrappen max urenomvang Schattingsbesluit (2) | (35) | (36) | (36) | (36) |
| Overig (o.a. TRI) | 100 | 84 | 72 | 64 |
| Enveloppe Participatie, onderkant en armoede | 15 | 75 | 215 | 280 |
| Armoede/schuldhulpverlening/bijzondere bijstand* | 5 | 10 | 60 | 80 |
| Maatschappelijke participatie (vrijwilligerswerk, maatschappelijke stages)* | 5 | 15 | 20 | 30 |
| Arbeidsparticipatie* | 5 | 50 | 135 | 170 |
| Enveloppe Kinderopvang* | 175 | 350 | 525 | 700 |
| harmonisatie KO/peuterspeelzaal, VVE/taalachterstand/ramingsrisico. | 175 | 350 | 525 | 700 |
| Enveloppe Onderwijs (3)* | 250 | 500 | 750 | 1000 |
| Gewichtenregeling: drempel van 6,4 naar 3% | 10 | 30 | 60 | 65 |
| Geleidelijke invoering van gratis schoolboeken vanaf 2008, volledige invoering per schooljaar 2009/2010 | 90 | 118 | 106 | 88 |
| Kwaliteit onderwijs (incl. hoger onderwijs), w.o. lerarentekort, arbeidsvoorwaarden, arbeidsomstandigheden, maatschappelijke stage, voortijdig schoolverlaten, overig. | 150 | 352 | 584 | 747 |
| Maatschappelijke stages | pm | pm | pm | 100 |
| Enveloppe MBO | 8 | 25 | 25 | 25 |
| bedrag per leerling/huisvesting | 8 | 25 | 25 | 25 |
| Enveloppe Jeugd en Gezin | 100 | 200 | 300 | 400 |
| Centra Jeugd en Gezin* | 50 | 100 | 150 | 250 |
| Overige maatregelen (w.o. kindermishandeling, jeugdzorg**) | 50 | 100 | 150 | 150 |
| Enveloppe Sport (uit pijler 6) | 10 | 20 | 20 | 20 |
| Enveloppe Wijken | pm | pm | pm | pm |
| Enveloppe Zorg (4) | 500 | 500 | 500 | 500 |
| Zorgtoeslag effect van pakketuitbreiding | 60 | 60 | 60 | 60 |
| Curatieve zorg | 100 | 100 | 100 | 100 |
| Langdurige zorg (w.o. mantelzorg) | 340 | 340 | 340 | 340 |
* Is ook onderdeel van bespreking met gemeenten over besteding 280 mln
accres (w.v. 80 mln armoede/participatie, 100 mln Onderwijs (incl. VVE, brede
school, voortijdig schoolverlaten) en 100 mln Centra JG)
** Is ook onderdeel van bespreking met provincies over besteding accres
(1) Exclusief extra impuls 2008/2011 voor het beleid voor inburgering en
integratie, mede om amendementen van de Tweede Kamer uit te voeren. 2008:
77mln; 2009: 76 mln; 2010: 45 mln; 2011: 44 mln. Deze impuls wordt mogelijk
gemaakt door middelen uit latere jaren versneld in te zetten.
(2) Intertemporeel gedekt door vrijval in 2007
(3) LNV zal evenredig meedelen in de intensiveringsmiddelen die
betrekking hebben op groen c.q. agrarisch onderwijs en onderzoek
(4) Exclusief de pakketuitbreiding
Het deltaplan Inburgering geeft invulling aan de ambitie van het kabinet om het rendement van de inburgering te verbeteren door deze gedifferentieerder en op de persoon toegesneden aan te bieden. Het plan richt zich op de kwaliteit en capaciteit van de inburgering. Het actieplan integratie richt zich op modern burgerschap, economische participatie, effectievere hulpverlening aan allochtone jongeren en de aanpak van discriminatie.
De TK is eerder geïnformeerd over de uitwerking van de WAO-paragraaf in het Coalitieakkoord m.b.t. de uitkeringsverhoging voor volledig arbeidsongeschikten in de WAO, WAZ en Wajong van 70% naar 75%, het verlagen van de leeftijdsgrens van 50 naar 45 jaar in de herbeoordelingsoperatie en het verlengen van de TRI-tegemoetkoming van zes naar twaalf maanden. Daarnaast wordt de uitkering van WAO/WIA-ers, die door de maximering van de urenomvang (maatman) was verlaagd of beëindigd, n.a.v. de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep opnieuw bezien. Ook worden voor herbeoordeelde WAO-ers zonder werk brugbanen gecreëerd en een aantal maatregelen genomen m.b.t. het in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten.
Uit deze enveloppe worden een aantal maatregelen bekostigd die de arbeidsparticipatie en de maatschappelijke participatie van mensen die langdurig aan de kant staan bevordert. Daarnaast worden middelen ingezet voor gericht armoedebeleid.
De middelen uit de enveloppe kinderopvang worden onder meer ingezet voor de harmonisatie van de regelgeving van kinderopvang en peuterspeelzalen, voor VVE en taalachterstanden en voor het ramingsrisico kinderopvang.
Op het onderwijsterrein zal het onderwijsachterstandenbeleid uitgebreid worden (via het verlagen van de drempel in de gewichtenregeling). Tevens zullen de schoolboeken in het VO gratis worden. Hiervoor zal financiering ook deels uit lastenenveloppen plaatsvinden. Ook zal in belangrijke mate geïnvesteerd worden in o.a. de kwaliteit van het (hoger) onderwijs en het lerarentekort en zullen gefaseerd maatschappelijke stages ingevoerd worden.
Voor de toerusting van het MBO wordt 25 mln uitgetrokken. Dit leidt tot een verhoging van het bedrag per deelnemer.
Uit de enveloppe jeugd en gezin worden onder andere maatregelen gefinancierd met betrekking tot de totstandkoming van de Centra voor Jeugd en Gezin, kindermishandeling en de wachtlijsten in de jeugdzorg.
Dit betreft extra middelen die in het Coalitieakkoord zijn bestemd voor sport, voor o.a. het versterken van sportverenigingen.
Het kabinet voert overleg met de woningcorporaties en gemeenten over de door het kabinet gewenste geïntegreerde aanpak van de aandachtswijken en de financiering daarvan
De enveloppe zorg is bedoeld voor het versterken van kwaliteit van de zorg. Aandachtspunten zijn verpleeghuizen, minder bureaucratie, nieuwe zorgconcepten en ICT.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Lasten enveloppe Arbeidsparticipatie | - | 300 | 600 | 1200 |
| Lasten enveloppe Kinderen, jeugd en gezin | - | 125 | 250 | 500 |
| gratis schoolboeken VO per schooljaar 2009/2010 | - | 59 | 53 | 44 |
| overig, w.o. kindgebonden budget | - | 66 | 197 | 456 |
| Lasten enveloppe Koopkracht | - | 200 | 400 | 800 |
| gratis schoolboeken VO per schooljaar 2009/2010 | - | 118 | 106 | 88 |
| overig w.o. huur- en zorgtoeslag | - | 82 | 294 | 712 |
De precieze invulling van de lastenenveloppe arbeidsparticipatie hangt o.a. af van de uitkomsten van nader overleg met de sociale partners.
Naar bovenWe willen een samenleving waarin mensen zich veilig, vertrouwd en met elkaar verbonden voelen. Een samenleving waarin wederzijds respect de norm is, waarin we elkaar geen overlast bezorgen en waarin geweld een uitzondering is, net als diefstal, vernieling en andere vormen van criminaliteit. Zo'n samenleving kan alleen worden bereikt als het streven daarnaar breed wordt omarmd, niet alleen in woorden maar ook in daden. Burgers en ondernemingen kunnen daarin veel betekenen op grond van hun eigen verantwoordelijkheid. Van de overheid mag worden verwacht dat zij weet op te treden wanneer de veiligheid echt in de knel komt. Alleen dan is onze samenleving een rechtsstaat in de volle zin van het woord.
Nederland is veiliger geworden
Ons land is in de afgelopen jaren veiliger geworden. De criminaliteit is ten
opzichte van 2002 duidelijk gedaald: er zijn minder inbraken in woningen en
bedrijven, het aantal gestolen fietsen is afgenomen en er is over de hele
periode minder geweld geregistreerd. Burgers geven aan dat ze minder last
hebben van overlast en verloedering. Men voelt zich ook een stuk veiliger dan
5 jaar geleden. Het gaat dus de goede kant op. Toch is dat geen reden om
rustig achterover te leunen.
Maar nog niet veilig genoeg
Het in het vorige Veiligheidsprogramma gestelde doel om de criminaliteit met
een kwart te verminderen, is nog niet bereikt. Er moet dus nog een slag
worden gemaakt. Die moet er toe leiden dat Nederland in vergelijking met
andere Europese landen niet meer zo hoog scoort als het om criminaliteit
gaat. Nieuwe vormen van criminaliteit, zoals 'cybercrime', moeten worden
aangepakt. Het functioneren van politie en OM wordt versterkt en nieuwe
technologie wordt ingezet om de opsporing te faciliteren. In de bestrijding
van overlast moet nog een grotere slag worden gemaakt om tot een aanvaardbaar
niveau te komen. De agressie in de samenleving, die zich uit in een verruwing
van omgangsvormen, lijkt nog niet minder te worden. Door polarisatie kunnen
bevolkingsgroepen tegenover elkaar komen te staan.
Een houding van respect
Een respectvolle omgang van burgers met elkaar - zowel individueel als in de
relaties tussen groepen - is een essentiële voorwaarde voor maatschappelijke
samenhang, binding en veiligheid. Vrijheid zonder angst is onmogelijk zonder
respect. Wie vrijheid en veiligheid wil realiseren, moet respect kunnen
geven. Te lang is de individualiteit als ultieme norm gehanteerd en lag het
stellen van regels voor de omgang in het maatschappelijke verkeer in de
taboesfeer. De debatten over het thema waarden en normen hebben die trend
doorbroken. Bij de vertaling van het thema respect naar concrete activiteiten
is het zaak aan te sluiten bij initiatieven van mensen zelf in buurten,
wijken, verenigingen, organisaties en bedrijven. De aanpak dient vooral
praktisch te zijn.
De verantwoordelijkheid dient zo dicht mogelijk bij de burgers te
liggen.
Accent op preventie
De strafrechtelijke basis is in de afgelopen jaren verstevigd: het vermogen
van de politie om criminaliteit op te helderen is fors gegroeid, strafzaken
zijn een stuk sneller afgedaan, volwassen verdachten hoeven niet meer te
worden heengezonden omdat er geen plaats is in de gevangenis. Burgers en
ondernemingen zijn in de eerste plaats zelf aan zet om zich te beschermen
tegen onveiligheid. Er is ook een actieve rol weggelegd voor het
maatschappelijk middenveld. Preventie staat daarbij voorop. Gemeenten
verdienen steun van de rijksoverheid in de regisserende rol die ze bij de
oplossing van veel veiligheidsproblemen hebben. Veiligheid kan niet los
worden gezien van wat het kabinet op andere terreinen doet. De inspanningen
om te komen tot een goede opvoeding, voldoende werk en scholing, een gezonde
economie en leefbare wijken dragen bij aan een veilige samenleving waarin
mensen zich vertrouwd voelen.
De overheidsorganisatie op orde
De overheid moet klaar staan als de veiligheid van haar burgers in gevaar
komt. Dat geldt voor de politie, voor justitie, voor defensie, voor de
brandweer, voor de organisatie van crisisbeheersing en rampenbestrijding
(veiligheidsregio's) en voor terrorismebestrijding. De komende jaren zet het
kabinet zich in voor verdere verbeteringen bij deze organisaties.
Het doel wordt uitgewerkt in concrete maatregelen:
Mensen noemen in volgorde van belangrijkheid de volgende grieven die
samenhangen met gebrek aan respect: asociaal gedrag in het verkeer,
respectloos gedrag van jongeren tegen ouderen en van burgers tegenover
gezagsdragers/hulpverleners, discriminerend gedrag, het pesten van kinderen
op internet, asociaal gedag in het openbaar vervoer, respectloos gedrag tegen
leerkrachten, seksistisch gedrag en respectloos gedrag van
gezagsdragers/hulpverleners tegenover burgers. Overigens vindt men dat
bevordering van respect vooral een opdracht voor mensen zelf is. (Gesprekken
van Justitie met burgers, Intomart 2007).
Uit onderzoek blijkt dat 54% van de overheidsmedewerkers in de afgelopen 12
maanden te maken heeft gehad met vooral (verbale) agressie van burgers met
wie ze van doen hebben. Een werkbezoek aan Rotterdam heeft de minister van
BZK extra alert gemaakt op de noodzaak van streng straffen en van een
landelijk registratiesysteem.
- 19% minder geweldsdelicten
- 5% minder vermogensdelicten
- verbetering ophelderingspercentage met 15%
- daling criminaliteit tegen ondernemingen met 25%
- daling recidive met 10%-punt.
Het kabinet werkt toe naar een reductie van de criminaliteit en de overlast van tenminste 25% in 2010 ten opzichte van 2002. Bij de aanpak van agressie en geweld krijgen huiselijk geweld en eergerelateerd geweld speciale aandacht Mensen die zich in huiselijke kring schuldig maken aan geweld, krijgen te maken met een tijdelijk huisverbod. Onmiddellijke hulpverlening (crisisinterventieteams en 24-uurs bereikbaarheid) moet voorkomen dat zaken uit de hand lopen. Het kabinet pakt privacybelemmeringen voor betrokken beroepsgroepen aan en stimuleert onderzoek naar en ontwikkeling van preventieprogramma's.
Er komen 500 'forensische assistenten' bij de politie, die vooral bij inbraken in woningen en bedrijven sporenonderzoek doen. Daardoor zullen meer daders worden gevonden, bijvoorbeeld wanneer zij DNA achterlieten op de plaats van het delict. Doelstelling is het ophelderingspercentage te verhogen met 15% in 2010.
De criminaliteit tegen bedrijven is fors gedaald. Vooral de sterke vermindering van het aantal winkeldiefstallen droeg daaraan bij. Nu kan meer aandacht uitgaan naar bijvoorbeeld diefstal in de bouw, vernieling in de detailhandel en geweld in de horeca. Overheid en bedrijfsleven hebben al afspraken gemaakt over de aanpak van criminaliteit van werknemers, met een sterke nadruk op preventie maar ook door het verschaffen van duidelijkheid over de situaties waarin politie en justitie aan zet zijn. Verdere afspraken over de aanpak van criminaliteit tegen ondernemingen zullen in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing worden gemaakt (Actieplan Veilig Ondernemen III).
Het kabinet kiest voor een persoonsgerichte aanpak bij risicojongeren en recidivisten. Soms zal dat een harde aanpak moeten zijn om te verhinderen dat men door blijft gaan met het plegen van delicten. Vaak zullen er andere mogelijkheden zijn om de delinquent op het rechte pad te houden of weer te brengen. Bijvoorbeeld door het tot stand brengen van een positieve binding met de samenleving. Er zijn jongeren die hun crimineel en overlastgevend gedrag niet wensen te stoppen. Wanneer zware mogelijkheden zoals jeugddetentie (nog) niet aan de orde zijn, kunnen gedragsbeïnvloedende maatregelen soelaas bieden. Aan probleemjongeren zonder zicht op opleiding of baan wil het kabinet perspectief bieden door de landelijke invoering van campussen die gericht zijn op scholing en arbeidstoeleiding.
Overheid en bedrijfsleven hebben al afspraken gemaakt over de aanpak van criminaliteit van werknemers. Verdere afspraken over de aanpak van criminaliteit tegen ondernemingen zullen in het Nationaal Platform Criminaliteitsbeheersing worden gemaakt (Actieplan Veilig Ondernemen III). Met alle gemeenten worden afspraken gemaakt over sluitende nazorg voor mensen die met justitie te maken hebben (gehad).
De laatste jaren is het aantal fietsendiefstallen flink verminderd. Toch blijft het huidige niveau van zo'n 750.000 gestolen fietsen per jaar onaanvaardbaar hoog. Dit vraagt om extra preventieve maatregelen, zoals meer en veilige stallingmogelijkheden, benutting van het landelijke registratiesysteem van gestolen fietsen en technische beschermingsmethoden ('tags'). Het kabinet bevordert dat bestuurlijke toezichthouders een taak krijgen bij de controle op gestolen fietsen. Heling wordt tegengegaan. Niet alleen door helers aan te pakken, maar ook door te regelen dat burgers die een fiets willen (ver)kopen zelf kunnen controleren of de fiets gestolen is.
In het gesprek met burgers op 21 mei werd fietsendiefstal specifiek naar voren gebracht als ergernis. Voorgesteld werd om een fietsendiefstalmeldpunt in te stellen, zodat makkelijker kan worden bekeken welke fiets gestolen is. Het kabinet neemt deze suggestie dus over.
In dit project komen de maatregelen bijeen die een bijdrage moeten leveren aan het doel de criminaliteit en de overlast substantieel te verminderen. Het project kent een integrale werkwijze, met acties van lokaal bestuur én de rijksoverheid en preventieve inspanningen in combinatie met repressie.
De preventie betreft de burgers die veel criminaliteit en overlast veroorzaken of dat dreigen te doen. Om dat te voorkomen is een persoonsgerichte benadering nodig waarin het er vooral om gaat dat de verschillende diensten samenwerken. Daarnaast is aandacht geboden voor het aanpakken van de omstandigheden die criminaliteit en overlast bevorderen. Zo kan het terugdringen van alcoholgebruik agressie helpen beteugelen. Technische maatregelen zijn nuttig om bijvoorbeeld fietsen te beschermen tegen diefstal.
Maatregelen om deze doelstelling te bereiken komen in het actieplan Overlast en Verloedering. Gemeenten worden door dit actieplan ondersteund in hun benadering van hangjongeren, drugsverslaafden, dak- en thuislozen, uitgaansoverlast, woonoverlast en verloedering als gevolg van graffiti en vernieling. De ondersteuning bestaat bv. uit het aanreiken van methoden om schade van graffiti op daders te verhalen. Het gericht verstrekken van heroïne op medische gronden kan ook een instrument zijn.
Overlast en verloedering zijn voor een groot deel wijkgebonden. In het project Actieplan Krachtwijken wordt in wijken geïnvesteerd. Overlastbestrijding krijgt ook daarbij de benodigde aandacht.
Het krachtig bestrijden van illegaal verblijf van mensen is eveneens van belang om verloedering en overlast tegen te gaan.
In bezoeken aan onder andere Den Helder en Rotterdam zijn de problemen van sociale overlast en fysieke verloedering indringend onder de aandacht van het kabinet gebracht.
De politie zal in de periode tot eind 2010 500 extra wijkagenten inzetten in buurten en wijken met veel overlast. Met hun kennis van de wijk en zijn bewoners, kunnen zij veel narigheid voorkomen of in een vroeg stadium indammen. De overlast zal ook bestreden worden met nieuwe instrumenten als de bestuurlijke boete voor lichte overtredingen, de nieuwe afdoening door het OM, en de mogelijkheid voor burgemeester en officier van justitie om gedragsaanwijzingen te geven bij ernstige overlast.
Mensen in wijken geven aan dat hun gevoel van veiligheid toeneemt als er een herkenbaar en toegankelijk persoon is om aan te spreken bij problemen.
De beschikbaarheid van softdrugs voor jongeren moet minder gemakkelijk worden. Uiterlijk in 2011 zullen alle gemeenten een minimale afstand tussen scholen en coffeeshops als criterium vaststellen en toepassen. Ten aanzien van de gestelde criteria wordt geen gedoogbeleid gevoerd. Bij illegale drugsteelt en -verkoop of bij andere overtredingen worden coffeeshops zonder pardon gesloten. Coffeeshops in de grensstreek worden tegengegaan. Over het te voeren coffeeshopbeleid is nader overleg met de gemeenten voorzien.
Op de site wietvrij.nl hebben burgers kunnen aangeven welke coffeeshops naar hun mening te dicht bij scholen zijn gevestigd. Er zijn 80 concrete voorbeelden aangedragen.
Alcoholgebruik is samen met drugsgebruik dè aanjager van geweld met name in het uitgaansleven. Om dit in te dammen wil het kabinet bezien hoe de verkrijgbaarheid van alcohol vooral voor jongeren beperkt kan worden. Strenger toezicht is nodig op het verbod op verkoop aan minderjarigen. Er komen pilot-projecten met een intensieve controle van de leeftijdsgrenzen door de gemeenten en de politie. Het kabinet stelt gemeenten in staat op basis van eigen afwegingen, de leeftijdsgrens rond de verkoop ( en wellicht in de toekomst het bezit) van alcohol te verhogen van 16 naar 18 jaar. De branche, de gemeenten, ouders en jongeren gaan in gesprek over de sluitingstijden van horecagelegenheden, ook om 'voordrinken' tegen te gaan.
De ministers van BZK, Justitie en Jeugd en Gezin hebben tijdens werkbezoeken intensief gepraat met ouders, jongeren en jongerenwerkers. Ouders maken zich zorgen over het drinkgedrag van jongeren. Jongeren onder de 16 ervaren nauwelijks een drempel bij de aanschaf en het gebruik van alcohol. Intensiever toezicht op de leeftijdsgrenzen voor de aanschaf van alcohol en het neerleggen van de uitvoering van dit toezicht bij de gemeenten krijgen bijval. Het optrekken van de leeftijdsgrens en het verbieden van verkoop in supermarkten worden als meest effectieve maatregelen beschouwd.
Een eenduidige vaststelling van de identiteit van personen in de
justitiële keten is van groot belang. Belangrijke voorwaarde daarvoor is de
echtheid en controleerbaarheid van de gegevens op documenten. Hiervoor wordt
ook het vingerafdrukkensysteem van de politie gebruikt. Dit systeem, dat ook
van groot belang is voor het vreemdelingenbeleid, wordt gemoderniseerd.
Er wordt een Nationaal Research- en Development programma opgezet om nieuwe
methoden en technieken te ontwikkelen. In dit programma is ook aandacht voor
de toepassing daarvan voor het brede veld van maatschappelijke
veiligheid: van overlast en criminaliteit tot crisisbeheersing en
rampenbestrijding.
Financieel-economische criminaliteit tast het vertrouwen aan dat burgers
hebben in het economische verkeer. Er is inmiddels een actieprogramma opgezet
voor de aanpak van financieel-economische criminaliteit, met speciale
aandacht voor bestrijding van witwassen van crimineel geld en
voordeelontneming bij criminele activiteiten.
Georganiseerde misdaad wordt de voet dwars gezet. De wet BIBOB helpt daarbij.
Deze wet geeft bestuursorganen een instrument om de integriteit te toetsen
van partners met wie zij zaken doen. Daarmee kan voorkomen worden dat de
georganiseerde misdaad (bijvoorbeeld in de vastgoedsector) vaste grond onder
de voeten krijgt. Het kabinet stimuleert een krachtig gebruik van BIBOB. Het
aantal aanvragen moet van 250 naar 500 in de periode 2007-2011. Nog in 2007
zal een actieplan Bestuurlijke Aanpak van overlast en criminaliteit aan de
Tweede Kamer gestuurd worden. Het actieplan bevat onder meer de oprichting
van regionale expertisecentra waar gemeenten terecht kunnen voor
ondersteuning bij BIBOB-trajecten en de bestuurlijke aanpak van
witwaspraktijken in de vastgoedsector.
Een programma voor de aanpak van cybercrime voor 2008 en verder voorziet in voorlichtende activiteiten voor burgers en ondernemingen en het tegengaan van extreme uitingen in elektronische netwerken.
Het kabinet werkt een kaderwet voor de prostitutie uit met een vergunningverplichting voor gemeenten die betrekking heeft op verschillende vormen van seksindustrie (bordelen, escortbedrijven). Hierbij wordt de mogelijkheid gecreëerd voor de 'nuloptie' te kiezen (geen prostitutiebedrijven). Gemeenten zullen hun vergunningen beter handhaven. Daarnaast zal justitie streng optreden tegen criminele misstanden in de prostitutiebranche, in het bijzonder waar sprake is van bedreiging, intimidatie en mensenhandel. Onderzocht zal worden of de klant persoonlijk strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld als sprake is van illegale prostituees en andere misstanden.
Radicalisering bedreigt de samenhang in ons land. Individuen en groepen
zoeken de confrontatie met elkaar, keren zich af van de samenleving en kiezen
mogelijk voor geweld. Om dit alles te voorkomen, staat de lokale aanpak
vanuit de gemeenten voorop. Gemeenten werken aan preventie, signalering én
interventie, samen met wijkagenten, jeugdwerkers, leraren en
leerplichtambtenaren. In 2007 wordt een nulmeting 'polarisatie en
radicalisering' uitgevoerd. Op basis van deze nulmeting wordt geconcretiseerd
met welk percentage de feitelijk ervaren polarisatie en radicalisering in
2010 moeten zijn afgenomen.
Maar een lokale aanpak alleen volstaat niet. Radicaliseringprocessen kunnen
zich via internet snel voltrekken.
Niet alleen voor het tegengaan van radicalisering, maar ook uit het oogpunt
van terrorismebestrijding is een effectief systeem van monitoring en
surveillance op het internet en een goed functionerend meldpunt cybercrime
van belang. Providers krijgen het verzoek om strafbare uitingen en informatie
bestemd voor terroristische doeleinden te blokkeren. Ook wordt de
mogelijkheid onderzocht van een verbod op het doorgeven van strafbare
uitingen op grond van artikel 54a van het Wetboek van Strafrecht. Het kabinet
zal in internationaal verband aandacht blijven vragen voor het tegengaan van
radicalisering via internet.
Spoedig zal de wet worden ingediend waarin de minister van Justitie
doorzettingsmacht krijgt bij terrorismebestrijding.
Een aanslag in Nederland met behulp van chemische, biologische,
radiologische of nucleaire (CBRN) middelen kan grote effecten hebben. In de
bescherming hiertegen is een inhaalslag noodzakelijk, gegeven de taxatie van
de kans op een dergelijke aanslag. Dat vergt preventieve maatregelen ter
fysieke beveiliging in publieke onderzoeksinstellingen (laboratoria,
ziekenhuizen en universiteiten).
Meer dan voorheen zal beveiliging een vast onderdeel van de bedrijfsvoering
moeten zijn - hiervoor zal nadrukkelijk aandacht moeten zijn binnen de
betrokken sectoren. Hiernaast is het nodig om voldoende gekwalificeerd
personeel en materieel klaar te hebben staan, indien zich onverhoopt toch een
aanslag zou voordoen. De capaciteit die bij de politie nodig is voor de
bewaking van objecten en personen die onder dreiging staan wordt op orde
gebracht, alsmede die van de AIVD.
In 2007 dient het kabinet een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer in waarin
de lokale regierol van gemeenten op veiligheidsgebied is vastgelegd. In het
bestuursakkoord Rijk-VNG wordt een aparte veiligheidsparagraaf opgenomen,
waarin is opgenomen hoe de gemeenten kunnen bijdragen aan de realisatie van
de doelstellingen in dit Beleidsprogramma.
Eind 2008 zal bekeken worden of het nodig is het politiebestel verder aan te
passen. In samenspraak met de korpsbeheerders benoemt het kabinet in juni
2007 concrete voorwaarden waaraan de samenwerking en het gemeenschappelijk
functioneren van de politie eind 2008 moeten voldoen. Deze criteria hebben
betrekking op de terreinen ICT, personeel, materieel en bovenregionale
samenwerking. De landelijke prioriteiten van de politie zullen betrekking
hebben op jeugd, geweldsreductie, wijkaanpak en versterking van de opsporing
(kwaliteit en minimaal aantal zaken voor het OM). Het kabinet wil toe naar
een opener, mensgericht en sociaal veilig klimaat binnen de politie waarbij
de kwaliteiten van een verscheidenheid aan mensen tot hun recht komen.
Daarvoor werkt de politie toe naar een meer divers samengestelde
politieorganisatie.
Op specifieke terreinen is versterking van capaciteit en kwaliteit nodig
(zoals cybercrime, financieel-economische criminaliteit en georganiseerde
misdaad); er zal meer personeel worden opgeleid. Ook zet het kabinet in op
een kwaliteitsimpuls in de rechtspraak en de rechtspleging, onder andere door
meer inzet van deskundigen. Omdat de inzet van meer politie meer strafzaken
oplevert, wordt ook de justitieketen versterkt. Veel criminaliteit heeft een
internationale dimensie of is zonder internationale samenwerking niet op te
lossen. Het kabinet zal zich inspannen om vooral de praktische operationele
samenwerking te bevorderen.
Betrokken burgers versterken de veiligheid van hun leefomgeving. Door middel van Burgernet kunnen bewoners worden geïnformeerd over veiligheids- en leefbaarheidaspecten in hun wijk en kunnen ze worden betrokken bij opsporingsactiviteiten van de politie. Burgernet wordt na een proefperiode (5 pilots in 2008), bij positieve evaluatie, landelijk ingevoerd. Ook worden de mogelijkheden tot het doen van anonieme of afgeschermde aangifte nader onderzocht.
In de grotere steden komen veiligheidshuizen waarin gemeenten, jeugd- en zorginstellingen, politie en justitie samenwerken in de aanpak van criminaliteit en overlast. Preventie en repressie worden hierin effectief op elkaar afgestemd.
In het Veiligheidshuis Tilburg werken 11 instanties samen om de stad veiliger te maken. Organisaties zitten dicht bij elkaar en treden snel en effectief op tegen criminaliteit en overlast, met aandacht voor zowel het slachtoffer als de dader. Risicojongeren en veelplegers krijgen bijzondere aandacht. Deze en andere tijdens werkbezoeken intensief besproken goede voorbeelden staan model voor de verdere aanpak.
Met de veiligheidsregio's wil het kabinet een professionele organisatie tot stand brengen voor een adequate regionale aanpak van rampen- en crisissituaties. Een goede informatievoorziening met een publiek geborgde meldkamer als spil maakt daar deel van uit, evenals een goede organisatie van de publieksvoorlichting met een centraal publieksinformatienummer bij rampen. De GGD- en GHOR-regio's zullen uiterlijk 2010 gelijk zijn.
Het kabinet legt de basisvereisten waaraan de veiligheidsregio's moeten
voldoen, wettelijk vast. Daarnaast sluit het kabinet meerjarige convenanten
met de regio's die door willen groeien naar volledige regionalisering van de
brandweer, met invulling van alle basisvereisten. De inspectie OOV zal
periodiek toetsen in hoeverre de organisatie van de crisisbeheersing en
rampenbestrijding voldoet aan de basisvereisten en begin 2010 beoordelen of
de doelstelling is bereikt.
Het kabinet heeft een strategie nationale veiligheid vastgesteld waarbij
dreigingen op lange termijn worden bezien op hun economische, sociale en
ecologische gevolgen. Duurzaamheid is hiermee onderdeel geworden van de
strategie nationale veiligheid.
Het bestuur en de directie van de veiligheidsregio moeten niet te groot zijn. Een vaste multidisciplinaire kern is nodig die naar behoefte kan worden uitgebreid met andere partners. Het direct doorlinken van de 112-centrale voor mobiel verkeer naar de regio maakt aansturing vanuit die regio mogelijk.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Capaciteit veiligheidsketen | 100 | 200 | 300 | 400 |
| Enveloppe Preventie c.a. (w.o. campussen): | 50 | 75 | 100 | 150 |
| geweld en agressie | 11 | 20 | 27 | 34 |
| jeugd en recidivisten (w.o. campussen)* | 23 | 42 | 59 | 98 |
| overlast (w.o. 500 buurtagenten) | 8 | 14 | 19 | 26 |
| georganiseerde criminaliteit | 12 | 26 | 46 | 57 |
| terrorisme en radicalisering | 16 | 25 | 32 | 37 |
| effectieve veiligheidsorganisatie en nieuwe veiligheidstechnologie | 37 | 66 | 97 | 120 |
| crisisbeheersing en rampenbestrijding* | 3 | 8 | 12 | 24 |
| overig | 40 | 74 | 108 | 154 |
| Enveloppe Aandeel GF in lokale veiligheid** | 50 | 75 | 100 | 150 |
* kan onderdeel zijn van bespreking over besteding accres.
** in te vullen bij bestuursakkoorden
Voor de aanpak van geweld en agressie wordt 34 mln. vrijgemaakt. Hieruit
wordt o.a. extra politie-opsporing en DNA-onderzoek bij het NFI
bekostigd.
Ten behoeve van jeugd en recidivisten gaat er o.a. een extra
inzet uit van ca 100 mln. naar de nazorg van ex gedetineerden (o.a. in de
gemeenten), gedragsbeïnvloeding bij de jeugd (w.o. campussen), aanpak van
veelplegers en toezicht op TBS-ers.
Voor de bestrijding van de overlast komen er o.a. 500
extra buurtagenten en wordt de aanpak van heroïneverslaafden
voortgezet.
Bij de georganiseerde criminaliteit wordt ingezet op o.a. de
aanpak van cybercrime, financieel economische criminaliteit en fraude (o.a.
om de taakstelling aan de ontvangstenkant te realiseren).
Bij de terrorisme en radicalisering wordt o.a. de
informatievoorziening bij de AIVD versterkt en de weerbaarheid van
instellingen tegen aanslagen.
Voor een effectieve veiligheidsorganisatie wordt o.a. een
impuls in de kwaliteit van de politie en de rechtspraak gepleegd.
Bij de crisisbeheersing en de rampenbestrijding vergt de
invoering van veiligheidsregio's een extra impuls.
Uit deze enveloppe wordt in 2008 gestart met een storting van 50 mln. in het gemeentefonds ten behoeve van de bekostiging van uitgaven aan lokale veiligheid, waarover afspraken worden gemaakt in het bestuursakkoord.
Naar bovenEen dienstbare overheid stelt burgers centraal en is een organisatie
waarin burgers zich herkennen. De dienstbare overheid werkt op basis van
vertrouwen in burgers en professionals en verdient vertrouwen door haar
respectvolle werkwijze en goede dienstverlening. De dienstbare overheid is
ook een slagvaardige organisatie die met minder mensen meer kwaliteit levert.
Kortom: de dienstbare overheid functioneert als bondgenoot van de
samenleving.
De overheid verleent niet alleen diensten, maar stelt ook regels en maakt en
handhaaft wetten. Bij dit alles is het voor burgers en bedrijven van belang
snel te weten waaraan men toe is. Voor gemeenten en provincies geldt
hetzelfde als voor de rijksoverheid.
Alle overheidslagen moeten samen iets voor burgers betekenen en niet
publiekelijk tegenover elkaar staan. Dat vraagt een duidelijke onderlinge
rol- en taakverdeling en goede samenwerking. Het rijk zal zich opstellen als
partner bij het oplossen van maatschappelijke problemen, ook in relatie tot
de andere landen van het Koninkrijk.
Cultuur heeft een op zichzelf staande waarde. Zij vertegenwoordigt onze immateriële rijkdom. Het kabinet zet zich daarom in voor een divers, hoogwaardig en toegankelijk aanbod van kunst, cultureel erfgoed en media.
De overheid faciliteert en schept randvoorwaarden, zodat de samenleving zoveel mogelijk de ruimte krijgt om maatschappelijke problemen zelf op te lossen. De gemeente en provincie zijn de bestuurslagen waar de trits probleem-oplossing-vertrouwen het meest tastbaar is. Taken die het best door de decentrale overheden kunnen worden uitgevoerd, worden daar ook neergelegd.
ICT-toepassingen, internet en digitalisering zijn instrumenten die de dienstverlening van de overheid kunnen verbeteren. De overheid wordt toegankelijker. De e-overheid is ook een belangrijk middel bij de vermindering van de administratieve lasten van burgers en professionals. De afgelopen jaren zijn de administratieve lasten van burgers al aanzienlijk verminderd. Maar er is nog veel meer winst te behalen. Bepaalde groepen merken nog te weinig van de vermindering. Een vrijwilliger is nog altijd vier keer meer tijd kwijt aan rompslomp dan een regulier gezin. Een gezin met een gehandicapt kind doet vijf keer zo lang over zijn administratie als een regulier gezin. De komende kabinetsperiode blijft de aandacht voor administratieve lasten van burgers en professionals daarom onverminderd hoog. Dit kabinet zal extra investeren in bijzondere groepen.
De overheid stelt zich als bondgenoot op, werkt vanuit vertrouwen en bejegent burgers op een respectvolle manier. Omgekeerd mag de overheid ook vertrouwen van de burgers krijgen. En willen werknemers met een publieke functie met respect tegemoet getreden worden. Daar schort het nu te vaak aan.
De dienstbare overheid zal meer kwaliteit moeten leveren met minder werknemers. De opgelegde taakstelling is gedifferentieerd voor beleidstaken, staftaken, uitvoeringstaken, en inspectietaken.
Modernisering van het migratiebeleid is noodzakelijk. Het huidige
toelatingssysteem met tientallen verblijfsdoelen voldoet niet meer. Door
voortdurende wijzigingen en aanpassingen is de wet- en regelgeving complex en
onoverzichtelijk geworden. Het kabinet wil de wet- en regelgeving daarom
aanzienlijk vereenvoudigen. Resultaat moet zijn dat er snel en slagvaardig
kan worden ingespeeld op de behoeften van samenleving en arbeidsmarkt. De
bijdrage die migranten aan de Nederlandse samenleving leveren kan dan veel
meer centraal komen te staan.
De overheid ondersteunt ook andere voorzieningen, zoals kunst, cultuur en
media. Kunst en cultuur geven glans aan het bestaan. Zij laten nieuwe,
inspirerende perspectieven zien, ontroeren en houden ons een spiegel voor.
Ook dragen zij bij aan sociale samenhang en een vitale economie.
Als hoogste doel van het cultuurbeleid streeft het kabinet naar een
divers, hoogwaardig en toegankelijk aanbod van kunst, cultureel erfgoed en
media. Een aantal problemen moeten worden opgelost voordat dit doel in zicht
komt. Kracht en potentieel van de cultuursector worden nu onvoldoende benut.
Ruimte voor excellentie, innovatie en talent is nog te beperkt.
De behoefte aan kennis over onze nationale geschiedenis groeit, maar wordt
onvoldoende beantwoord. De aantrekkelijkheid en herkenbaarheid van steden en
landschappen neemt af. De kwaliteit van de leefomgeving kan veel beter. Onze
monumenten vragen om investeringen en nieuwe methoden om waardevolle gebouwen
weer een functie te geven in hun omgeving.
De publieke omroep opereert in een overvol medialandschap met grote
concurrentie van commerciële zenders en nieuwe media. De organisatie is
complex en onvoldoende slagvaardig. De inkomsten staan onder druk en
digitalisering bedreigt de opbrengsten uit reclame.
De rijksoverheid moet kleiner én beter. In verband daarmee is voorzien in een reductie van de beleidsonderdelen met 20%, de ondersteuning met 25% en de inspecties met 20%. De uitvoering wordt naar verhouding gespaard. In totaal resulteert dit in een besparing van ca. € 630 mln, hetgeen neerkomt op bijna 13.000 functies (11.000 bij de ministeries en de ZBO's plus ca. 1800 bij door derden gefinancierde uitvoerende diensten). Tegelijkertijd wordt er geïnvesteerd in een betere overheid. In het Programma Vernieuwing Rijksdienst is vastgelegd hoe de beoogde doelen bereikt kunnen worden. Het programma kent vier onderdelen.
Het kabinet wil dat in 2011 30% van de nieuwe instroom in topfuncties en
50% van de overige functielagen binnen de publieke sector uit vrouwen
bestaat. Voor de Algemene Bestuursdienst (ABD, de leidinggevende posities
binnen het Rijk) is het doel van het kabinet dat in 2011 25% van de Algemene
Bestuursdienst uit vrouwen bestaat. Concreet betekent dit dat er ieder jaar
25 vrouwen tot de ABD zullen moeten toetreden uit posities van onder
directeursniveau of van buiten het Rijk.
Het kabinet wil dat in 2011 het aandeel allochtonen in het personeelsbestand
van de publieke sector met 50% is toegenomen ten opzichte van 2007. Aan
individuele werkgevers zal een diversiteitindex beschikbaar worden gesteld.
Met behulp van dit instrument worden werkgevers in staat gesteld een op de
organisatie toegespitst streefcijfer vast te stellen. De concrete ambitie van
het kabinet voor de Algemene Bestuursdienst is dat in 2011 minimaal 50
medewerkers van allochtone afkomst in managementposities net onder ABD-niveau
zijn ingestroomd. Deze medewerkers worden vervolgens door bureau-ABD
intensief begeleid om een toekomstige functie binnen de ABD te gaan bekleden.
Verder heeft het kabinet de ambitie om 2000 structurele stageplaatsen bij het
rijk te realiseren. Er komt één traject voor het creëren van 1000 reguliere
plaatsen op mbo/hbo/wo-niveau, en één traject voor 1000 plaatsen voor
kansarme doelgroepen zonder startkwalificaties. Voor beide trajecten geldt
dat 50% moet worden bezet door allochtone vrouwen en mannen.
Het kabinet wil dat in 2011 het uitstroompercentage van 50-plussers naar
inactiviteit met 2%-punt is afgenomen ten opzichte van 2006. Al vanaf 2008
zullen er tekorten ontstaan op de arbeidsmarkt. De overheid, die meestal
hoogopgeleide mensen zoekt, zal daar last van krijgen. De verwachting is dat
dit bij ongewijzigd beleid zal leiden tot arbeidsmarktknelpunten bij de
overheid, bijvoorbeeld in het onderwijs. De concrete ambitie voor de ABD is
managers vanaf de leeftijd van 57 actiever te benaderen om hun volgende
carrièrestap te bepalen. Zo zal minder kennis en inzet voor de overheid
verloren gaan.
Per overheidssector zal nadere invulling worden gegeven aan de cijfermatige
doelstellingen met betrekking tot vrouwen in topposities en
diversiteitbeleid. Daarbij zal rekening worden gehouden met de
arbeidsmarktomgeving. Zo zijn bij het Rijk meer vrouwen nodig, terwijl in het
primair onderwijs juist behoefte is aan meer mannen. Gezien de taakstelling
zal er de komende jaren per saldo meer uitstroom dan instroom zijn. Dit heeft
wel gevolgen heeft voor het realiseren van de diversiteitdoelstellingen.
Het kabinet bespreekt met werkgevers van overheidssectoren de
diversiteitdoelstellingen en het bevorderen van vrouwen in
topposities.
De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties zal als
coördinerend minister periodiek aan de Eerste en Tweede Kamer rapporteren
over het diversiteitdoelstellingen en het aandeel vrouwen in topposities
binnen de veertien overheidssectoren.
De uitbreiding van de Europese In het coalitieakkoord is het voornemen uitgesproken de rechtsvorm maatschappelijke ondernemingen te introduceren. Publieke of semi-publieke taken op bijvoorbeeld het terrein van zorg, onderwijs en wonen kunnen dan worden uitgevoerd in de samenleving zonder al te gedetailleerde vormen van overheidstoezicht. Dit laat meer ruimte voor de professional. Een ander voordeel is dat er een garantie wordt verkregen voor het gebruiken van publieke gelden voor het maatschappelijk doel.
Burgerschapsvorming is sinds vorig jaar onderdeel van het onderwijsprogramma van het primair onderwijs. Aansluitend hierop wordt een Handvest verantwoordelijk burgerschap opgesteld. Hierin zullen onze belangrijkste democratische normen, waarden en beginselen en - heel belangrijk - de bijbehorende verantwoordelijkheden voor individuele burgers en instellingen aan de orde komen. Het uitdragen en handhaven van de elementen in het handvest zal kunnen bijdragen aan sociale samenhang, onderling respect en participatie in de publieke sector. Het handvest zal ook een rol kunnen spelen bij het overdragen van deze principes aan nieuwe generaties en nieuwe Nederlanders. Het kabinet zal het initiatief starten dat uiteindelijk moet leiden tot een breed gedragen handvest.
Het kabinet stelt dit najaar een staatscommissie in die eind 2008 advies uitbrengt over het versterken van de grondwet. De staatscommissie zal onder meer onderzoeken: de voor- en nadelen van een preambule, de toegankelijkheid voor burgers, de verhouding tussen grondrechten en de internationale rechten.
Met gemeenten respectievelijk provincies worden bestuursakkoorden gesloten waarin de inhoudelijke agenda voor de komende vier jaar wordt neergelegd. Het vergroten van de beleidsruimte van gemeenten en provincies door decentralisatie van rijkstaken, zal een belangrijk onderdeel van deze akkoorden zijn. De beleidsvrijheid gaat samen met een vermindering van het aantal specifieke uitkeringen met 50% en het aantal rijksmonitoren met 25%. Het kabinet wil ook de bestuurlijke drukte verminderen. Dit kan bijvoorbeeld door het aantal betrokken bestuurslagen op bepaalde beleidsterreinen terug te brengen naar maximaal twee. Zo wordt formeel en materieel de bestuurlijke drukte teruggebracht. Het maakt bestuurders er ook van bewust dat minder overleg, minder deelnemers en minder papier écht kan.
Rijk, provincies en gemeenten komen twee keer per jaar in het Overhedenoverleg bij elkaar. Tijdens deze bijeenkomsten worden de uitvoering van de bestuursakkoorden aangejaagd, knelpunten besproken en nieuwe plannen gemaakt.
De overheid wil een bondgenoot van de burger zijn. Daarom wordt bij het verminderen van de administratieve lasten de aandacht in eerste instantie gericht op de knelpunten waar de burger het meest last van heeft. Het kabinet heeft een inventarisatie gemaakt van de meest gevoelde knelpunten. Hieruit is een top 10 gekomen. Het kabinet zal deze top 10 opnemen in de bestuursakkoorden en zo afspraken maken over het aandeel van de medeoverheden in het verminderen van de administratieve lasten.
Naast de administratieve lastenvermindering voor burgers en bedrijven, besteed het kabinet ook aandacht aan de vermindering van administratieve lasten van professionals in de (semi-) publieke sector. Het gaat hier dan onder andere om leraren, thuiszorgmedewerkers en agenten. Ook hier zal de aandacht vooral uitgaan naar de regels die belemmerend werken en het werkplezier verminderen.
ICT is cruciaal bij het verminderen van administratieve lasten voor burgers en bedrijven. Een groot deel van de administratieve lastenverlichting komt binnen bereik door meer inzet van ICT, bijvoorbeeld door het digitaal beschikbaar stellen van diensten. De (virtuele) infrastructuur moet daarom verder ontwikkeld worden. Om dit alles te bereiken, wordt de regie op de e-overheid versterkt.
Het belangrijkste doel is dat burgers zelf ervaren dat het beter wordt wanneer administratieve lasten en ergernissen weg zijn We zullen dus blijven luisteren naar burgers. Bijvoorbeeld via het meldpunt 'last van de overheid', via de rapportages van de Nationale Ombudsman of via burgerpanels. De top 10 van knelpunten komt op de website van BZK. De dialoog kan hiermee doorgaan en de top 10 kan hierdoor uitbreiden of veranderen.
De verbetering van de asielprocedure moet leiden tot snelle duidelijkheid over blijven of teruggaan en tot het voorkomen van herhaling van zetten.
De zorgvuldigheid van beslissingen in de versnelde asielprocedure in de aanmeldcentra (AC-procedure) wordt vergroot. De 'normale' asielprocedure wordt met behoud van zorgvuldigheid versneld (verkort). Om de asielprocedure te verbeteren en te versnellen, worden maat- regelen getroffen waardoor asielzoekers beter voorbereid aan de asielprocedure kunnen beginnen en herhalingen van procedurestappen kunnen worden voorkomen. Ook wordt bekeken of de ruimere termijnen die de asielzoeker in de AC-procedure in de praktijk heeft, geformaliseerd kunnen worden. Case-management en het AC/behandelkantoormodel worden in principe onder één dak geïntroduceerd.
De verbetering en versnelling van de asielprocedure vindt plaats mede in het licht van de aanbevelingen van de commissie-Scheltema. Bij de (verdere) uitwerking van de plannen ter verbetering van de asielprocedure zullen organisaties als Amnesty International, Vluchtelingenwerk Nederland, UNHCR, rechtsbijstand, VNG en Raad voor de rechtspraak worden betrokken.
Tegen illegaal verblijf wordt opgetreden. Daarnaast wil het kabinet de
effectiviteit van het terugkeerbeleid en van het gecontroleerd vertrek
vergroten van vreemdelingen die geen rechtmatig verblijf (meer) hebben. In
eerste instantie wordt gestimuleerd dat de vreemdeling zelfstandig vertrekt.
Zo nodig zal worden gewerkt aan het realiseren van gedwongen
vertrek.
De Dienst Terugkeer & Vertrek (DT&V) bevordert het zelfstandig
vertrek uit Nederland van vreemdelingen van wie na een zorgvuldige procedure
is vastgesteld dat zij geen recht (meer) hebben op verblijf. De DT&V
richt zich ook op het vertrek van illegale vreemdelingen die in het kader van
toezicht zijn aangetroffen door de politie. In de werkwijze van de DT&V
staat een op de persoon gerichte aanpak (case-management) centraal. De
DT&V werkt bij de uitvoering van het terugkeerbeleid goed en intensief
samen met de gemeenten. De medewerking van gemeenten aan de uitvoering van
het terugkeerbeleid moet worden vergroot. Ook worden flankerende maatregelen
uitgewerkt. Bijzondere aandacht is er voor een strategische benadering van
landen van herkomst ter bevordering van medewerking aan het terugkeerbeleid
en voor de relatie met ontwikkelingssamenwerking. De DT&V is zoals
gepland in januari 2007 gestart met de werkzaamheden en zal naar verwachting
medio 2007 volledig operationeel zijn.
De werkwijze van de DT&V heeft onder andere als doel de medewerking van gemeenten aan de uitvoering van het terugkeerbeleid te vergroten. Daarnaast worden gemeenten en andere bij de uitvoering van het terugkeerbeleid betrokken organisaties, zoals ngo's, waar mogelijk betrokken bij de ontwikkeling van flankerende maatregelen.
Dit kabinet heeft besloten tot een pardonregeling, waarmee de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet wordt afgewikkeld. Deze regeling houdt in dat ambtshalve een verblijfsvergunning wordt verleend aan personen die aan bepaalde objectieve criteria voldoen. Het coalitieakkoord koppelt de regeling aan een aantal afspraken met betrekking tot juridische verankering en overeenstemming met de VNG over een aantal belangrijke zaken. Door een verblijfsvergunning te verlenen aan degenen die al lang in Nederland zijn en voldoen aan de voorwaarden van de pardonregeling, kunnen de juridische procedures van deze personen worden beëindigd. Dit maakt het mogelijk om nieuwe achterstanden met kracht tegen te gaan en de uitvoering van de Vreemdelingenwet 2000 verder te verbeteren.
Met de gemeenten zijn bestuurlijke afspraken gemaakt om de pardonregeling goed te kunnen uitvoeren. Bij het opstellen van de regeling zijn VVN, INLIA, de LOGO-gemeenten en de G4 in de gelegenheid gesteld hun standpunt naar voren te brengen.
Er komt een nieuw stelsel voor subsidies voor kunst, gericht op een divers
aanbod, excellentie en brede toegankelijkheid. Toegankelijkheid is met name
voor jongeren van belang. Om jongeren vertrouwd te maken met kunst,
komen er acties op drie niveaus. Binnen het onderwijs worden de voorwaarden
voor scholen om te voldoen aan de kerndoelen en eindtermen wat betreft kunst
en cultuur verbeterd. Er komt ook een programma leesbevordering. Verder wordt
er een fonds voor cultuurparticipatie en amateurkunst ingesteld dat kunst- en
cultuurbeoefening gericht kan ondersteunen.
De derde actie is het oprichten van een Nationaal Historisch Museum.
Het vergroten van cultuurparticipatie is een gemeenschappelijke prioriteit van de rijksoverheid, provincies, gemeenten, culturele instellingen en het onderwijs. Met hen zal worden besproken hoe het fonds voor cultuurparticipatie en amateurkunst verder vorm krijgt.
Het kabinet wil in de media belangrijke waarden als onafhankelijkheid, verscheidenheid, toegankelijkheid en kwaliteit zeker stellen. Het kabinet hecht daarom aan een sterke publieke omroep en aan een onafhankelijke en pluriforme pers. Het mediagebruik verandert onder invloed van digitalisering; jongere generaties besteden meer tijd achter het beeldscherm van hun computer dan voor de televisie. Daarom wil het kabinet innovatief gebruik van ICT door media en culturele instellingen bevorderen. De (multimediale) taak van de publieke omroep wordt duidelijk vastgelegd in de dit najaar in te dienen mediawet. Er worden meerjarige prestatieafspraken met de publieke omroep gemaakt over investeringen in de kwaliteit van het aanbod (o.a. kunst, cultuur en jeugd). Extra geld worden bestemd voor nieuwe media en voor verbetering en vernieuwing van de programmering.
Alle partijen die actief zijn voor en in de landelijke publieke omroep zijn verheugd dat het kabinet kiest voor een sterke publieke omroep met een multimediale taak. De financiële impuls zorgt ervoor dat de omroep zijn maatschappelijke opdracht weer op een beter niveau kan vervullen. Na jaren van financiële krapte wil de publieke omroep investeren in publieke kwaliteit (kunst, cultuur, jeugd, documentaire, wetenschap, evenementen) voor een breed en divers publiek.
| 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | |
| Enveloppe Publieke omroep | 50 | 50 | 50 | 100 |
| herstel reguliere programmering, financiële buffer, nieuwe media, verbetering en vernieuwing van de programmering | 50 | 50 | 50 | 100 |
| Enveloppe Cultuur en monumenten | 25 | 50 | 75 | 100 |
| nationaal historisch museum | 2 | 3 | 5 | 12 |
| overig (cultuur participatie en amateurkunst, innovatie en excellentie, monumenten) | 23 | 47 | 70 | 88 |
| Enveloppe Aanvullend accres Gemeentefonds (GF) | 100 | 200 | 300 | 400 |
In het CA is het belang aangegeven van een pluriforme, toegankelijke en kwalitatief goede publieke omroep. Middelen uit deze enveloppe worden ingezet voor o.a. herstel reguliere programmering, nieuwe media en verbetering en vernieuwing van de programmering.
Het kabinet heeft in het CA aangegeven belang te hechten aan een divers kunst en cultuur aanbod voor een breed publiek. Middelen uit deze enveloppe worden o.a. ingezet voor het bevorderen van cultuurparticipatie (o.a. via een fonds voor cultuurparticipatie en amateurkunst), meer ruimte voor innovatie en excellentie en voor de komst van een Nationaal Historisch Museum, dat bijdraagt aan een beter historisch besef van de Nederlandse geschiedenis. Verder worden extra middelen beschikbaar gesteld voor het monumentenbeleid.
Naar boven