U bevindt zich op: Home › Het kabinet
Op 7 februari 2007 bereikten de Tweede Kamerfracties van CDA, PvdA en ChristenUnie het Coalitieakkoord. Het akkoord is de leidraad voor het beleid van het kabinet-Balkenende IV. Op deze pagina staan de hoofdstukken uit 'Samen werken, samen leven'.
Wij willen samen werken aan groei, duurzaamheid, respect en solidariteit.
Aan een samenleving waarin oog is voor elkaar en waarin recht wordt gedaan
aan ieders mogelijkheden en talenten. Een samenleving ook, waarin de overheid
duidelijke grenzen stelt aan wat wel en wat niet kan, waarin vooral de eigen
kracht van de samenleving wordt benut en waarin creativiteit en eigen
initiatief worden ondersteund.
Wij willen werken aan een samenleving waarin mensen zich duurzaam met elkaar
verbonden weten. Het is onze ambitie mensen het daarvoor benodigde vertrouwen
in elkaar en in de toekomst te geven. Door in mensen te investeren en door
mensen als bondgenoot tegemoet te treden; vanuit het besef dat we samen
sterker staan. Zo willen wij werken aan een beter Nederland.
We leven in een dynamische tijd. De Nederlandse samenleving staat aan grote veranderingen bloot. Veel mensen voelen zich onzeker over de toekomst. Het gaat velen beter, maar dat neemt de bezorgdheid niet weg. "Met mij gaat het goed, maar met de samenleving minder", is een gevoel dat bij velen leeft. Optimisme en zorgen gaan hand in hand. Groot is de behoefte aan houvast, geborgenheid en een herkenbare eigen identiteit. Die behoefte kwam onder meer naar voren bij de uitslag van het referendum van 1 juni 2005 over het Europees grondwettelijk verdrag en in de verkiezingsuitslag van 22 november 2006.
Het is nodig een nieuwe balans te vinden tussen dynamiek en zekerheid. Er moet volop ruimte zijn voor initiatief en ontwikkeling. Maar tegelijkertijd mogen mensen niet aan de kant blijven staan of het gevoel hebben er alleen voor te staan. De verantwoordelijkheid om deze balans tot stand te brengen, rust op ons allemaal. Burgers, maatschappelijke organisaties en overheden moeten samen werken aan vertrouwen en respect, en aan groei en ontwikkeling. Doel is een ongedeelde samenleving waarin iedereen in veiligheid een menswaardig bestaan kan opbouwen. De afgelopen jaren heeft Nederland zijn uitgangspositie weten te versterken. Die uitgangspositie zullen we moeten vasthouden en gebruiken om een duurzame ontwikkeling van mens, leefomgeving en economie te bereiken. Zo kan ons land de toekomst met vertrouwen tegemoet zien.
Wij willen samen werken aan dat vertrouwen in de toekomst. Deze opdracht pakken wij aan vanuit een duidelijke visie op de richting waarin onze samenleving zich zal moeten bewegen:
Dit zijn de zes pijlers die het kabinetsbeleid dragen. Ze vragen om een concrete uitwerking en om een ambitieuze investeringsagenda voor de komende kabinetsperiode.
Naar bovenEr is veel dat mensen hoop geeft, maar ook het nodige dat hen zorgelijk
stemt of dat zij als een bedreiging ervaren. De tweede helft van de vorige
eeuw was een periode van snelle groei en vooruitgang. Niet alleen de
welvaart, ook de kwaliteit van leven nam enorm toe. Mensen leven langer, zijn
gezonder, zijn hoger opgeleid en hebben meer te besteden dan ooit.
Technologische vooruitgang heeft veel mensen een beter bestaan gegeven.
Tegelijkertijd vragen mensen zich af of die ontwikkeling zich zal
voortzetten. Ze twijfelen of hun kinderen en kleinkinderen het beter zullen
hebben dan zijzelf. Ook is duidelijk dat niet iedereen van de groei
profiteert. Er zijn mensen die achterblijven, niet meedoen of kunnen meedoen
in de maatschappij.
Het milieu staat onder druk, het klimaat verandert en natuurlijke hulpbronnen
raken uitgeput. Al met al is het de vraag of ons welzijn net zo hard stijgt
als onze welvaart.
Ook in de wereld om ons heen stuiten optimisme en zorgen op elkaar. De
Europese Unie heeft ons vrede en welvaart gebracht. Maar blijft de gegroeide
Unie voldoende vertrouwd en herkenbaar voor de burgers? In Azië maken veel
landen een snelle economische ontwikkeling door. Maar op andere plaatsen
heerst grote, hardnekkige armoede.
De samenleving staat onder druk door groeiende verscheidenheid, afnemende
beleving van gemeenschappelijke waarden en normen, en de dreiging van
terrorisme.
Dat alles draagt bij aan het gevoel dat het met ieder van ons individueel
wel goed gaat, maar met 'ons samen' minder. Mensen hebben minder houvast
gekregen aan vertrouwde patronen en verbanden. We kunnen veel meer dan
vroeger, maar hebben minder greep op onze omgeving. Onze samenleving
verandert snel, ook in samenstelling van de bevolking. Daardoor zijn velen
zich minder thuis gaan voelen. Bij dit alles speelt ongetwijfeld een rol dat
de verbanden die in de vorige eeuw burgers met elkaar verbonden, dat nu veel
minder doen.
Denk - zonder uitputtend te willen zijn - aan de saamhorigheid en de
lotsverbondenheid van de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog, solidariteit
in de klassieke verzorgingsstaat, een rijk verenigingsleven, een publieke
sector die vaak gestuurd werd op het beginsel van gelijkheid en het gedeeld
waardenbesef in een relatief homogene samenleving. Wat werkte in de tweede
helft van de vorige eeuw, behoeft aanvulling en bijstelling de komende
decennia.
We bevinden ons in een nieuwe fase van ontwikkeling. In hoog tempo laten
we de industriële samenleving van de 19de en 20ste eeuw achter ons. Nederland
wordt een kennis- en dienstensamenleving. Hiërarchische verhoudingen en vaste
systemen en stelsels verliezen hun kracht en betekenis. Mensen leven en
werken steeds meer in netwerken die snel kunnen wisselen.
Geëmancipeerde en goed opgeleide mensen krijgen in die netwerken grote
kansen. Zij hebben vooral ruimte nodig om die kansen te benutten.
Mensen die niet zelfstandig kunnen meekomen of zich niet goed thuis voelen in
alle veranderingen hebben ook recht op kansen en de middelen om een goed
bestaan te kunnen opbouwen. Zij hebben toerusting nodig, ook van de
overheid.
De veranderingen in de samenleving hebben gevolgen voor de bestaande
systemen van de verzorgingsstaat. Er zijn nieuwe arrangementen nodig die
beantwoorden aan de dynamiek van deze en de komende tijd. Die moeten ten
dienste staan van het vergroten van de mogelijkheden en de kwaliteit van
leven van mensen.
De overheid zal mensen daartoe mobiliseren, verbinden, ondersteunen en
toerusten om hun verantwoordelijkheid voor hun eigen leven en de samenleving
in al zijn verscheidenheid vorm te geven.
Deze veranderingen kunnen we met vertrouwen, visie en idealisme tegemoet treden. Van oudsher zijn gemeenschapszin, verdraagzaamheid, ondernemingslust, creativiteit en doorzettingsvermogen eigenschappen die Nederland kenmerken. Daarmee zijn tegenslagen overwonnen en nieuwe kansen benut. Het ideaal om samen te werken aan de toekomst, bestaat volop in ons land. Er is veel waarop we trots kunnen zijn. Dit alles vormt een stevige basis om de vragen van de 21ste eeuw te beantwoorden.
Naar bovenOm de opgaven succesvol tegemoet te treden, is een toekomstgericht beleid nodig. Dat beleid heeft zes pijlers.
De internationale gemeenschap raakt onderling steeds nauwer verweven.
Landen hebben elkaar nodig voor hun welvaart, hun duurzaamheid, hun
stabiliteit en veiligheid. Nederland is een open, internationaal georiënteerd
land. Onze kansen en mogelijkheden zijn mede afhankelijk van anderen. Een
passieve en naar binnen gekeerde rol van Nederland is niet in ons nationale
belang, economisch noch anderszins. Daarom kiezen wij voor een actieve en
constructieve rol in de wereld en in Europa.
Nederland kan een belangrijke rol spelen bij het bevorderen van
ontwikkelingen ten goede in de wereld. Voorwaarde is dat overheid, burgers en
bedrijven zich actief, constructief en open opstellen. Daarbij moet aandacht
zijn voor degenen die door de internationalisering vrezen voor verlies van
hun vertrouwde omgeving.
Ons land werkt nauw samen met internationale organisaties, zoals de Verenigde Naties en de NAVO. Het is ook intensief betrokken bij de Europese samenwerking. De Europese Unie staat voor een nieuwe fase in haar ontwikkeling. Verdere uitbreiding en verdieping zijn geen vanzelfsprekende motoren voor de Europese samenwerking in de komende decennia. Aanpassing van de instituties van de Europese Unie is nodig om de positie van de lidstaten te versterken op de beleidsterreinen waar dat kan en de Europese samenwerking te vergroten waar dat moet. Een effectiever Europees bestuur op basis van subsidiariteit zal de Unie voor burgers herkenbaarder moeten maken en het vertrouwen moeten vergroten. Burgers willen een Europa dat concrete grensoverschrijdende problemen oplost.
Er wordt, met publieke en private partners in Nederland, een strategie ontwikkeld om de achterstanden in het behalen van de Millennium Ontwikkelingsdoelen te verkleinen. Bijzondere inzet daarbij vormen de armste landen en landen in een post-conflict situatie. Daartoe zullen concrete initiatieven worden genomen.
Zonder bloeiende economie, gunstig investeringsklimaat en gezonde concurrentiepositie zijn er in de toekomst onvoldoende banen en onvoldoende mogelijkheden voor goede zorg en hoogwaardige publieke voorzieningen. We weten dat onze samenleving vergrijst en dat onze beroepsbevolking gemiddeld ouder wordt. Centrale uitdaging is mensen in staat te stellen te participeren en langer productief en maatschappelijk betrokken te blijven, door te investeren in hun kennis en vaardigheden. Dat vraagt om vernieuwingen in de manier van werken, het onderwijs, de sociale zekerheid en de zorg.
Samen moeten we onderwijs, kennis en innovatie een grote stap verder
brengen. De samenwerking tussen universiteiten, hogescholen, kenniscentra en
het bedrijfsleven moet verder verbeterd worden. De top moet hoger; de basis
moet breder.
Een substantieel hoger niveau van investeringen door het bedrijfsleven in
kennis en onderzoek is onontkoombaar.
Een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie wordt gedragen door investeringen in mensen en door ruimte voor ondernemerschap, zowel in stedelijke gebieden als op het platteland. Sociale innovatie is van groot belang en verbindt werknemers en werkgevers. Samen werken zij aan een open bedrijfscultuur, goede arbeidsverhoudingen en verhoging van het plezier in werken en ondernemen.
Er komt een langetermijnstrategie voor innovatie en ondernemerschap door samenwerking tussen overheid, bedrijfsleven, wetenschap en onderwijs. Het innovatieplatform nieuwe stijl ondersteunt deze strategie. Innovatie in onderwijs, zorg, energie en andere publieke voorzieningen krijgt hierin ook een plaats.
Om in 2012 te komen tot halvering van de schooluitval wordt het offensief aanval voortgezet en versterkt in samenwerking tussen overheid, ouders, scholen, bedrijfsleven (voor stages en leer/werkplekken), maatschappelijk werk, jeugdzorg, gemeenten en politie.
De zorg voor een duurzame leefomgeving omvat veel meer dan de zorg voor een schoon milieu. Klimaatveranderingen, een stijgend energieverbruik, vervuiling, watertekorten en voedselschaarste roepen tal van vragen op. Rentmeesterschap is een voorwaarde voor een menswaardig bestaan nu en in de toekomst. Dat houdt in: een respectvolle omgang met het leven van mens, dier en natuur.
In een mondiale economie dreigt een race naar de bodem. Het gevaar dreigt dat ieder land produceert tegen de laagste economische kosten en zijn aanslag op het milieu en natuurlijke hulpbronnen afwentelt op de wereld en op toekomstige generaties. Een deel van de verantwoordelijkheid ligt bij mensen zelf. Zij kunnen in hun eigen leven kiezen voor bewust consumeren. Maar het is evident dat er ook een taak ligt voor het bedrijfsleven, - onder andere door maatschappelijk verantwoord ondernemen- , de overheid en internationale verbanden .
De overheid zal samenhang moeten bevorderen tussen alle terreinen waar
duurzaamheid vorm kan en moet krijgen. Zo is er een duidelijke relatie tussen
ruimtelijke ordening, natuur en landschap, infrastructuur en
energieverbruik.
Door die terreinen in samenhang te bezien, kan grote duurzaamheidswinst
worden geboekt. Innovatie speelt daarbij een sleutelrol.
Wij willen dat Nederland de komende kabinetsperiode grote stappen neemt in de transitie naar één van de duurzaamste en efficiëntste energievoorzieningen in Europa in 2020. Deze doelstelling voor energietransitie moet worden bereikt door energiebesparing, alternatieve energiebronnen en afvang en opslag van CO2. In de vorm van een project Energietransitie wordt regie gevoerd met bedrijfsleven, kennisinstellingen, overheden en maatschappelijke organisaties.
Waar traditionele verbanden aan betekenis verliezen, zijn mensen op zoek naar nieuwe vormen van gemeenschapszin, geborgenheid en zekerheid. De kracht en kwaliteit van de samenleving worden bepaald door onderlinge betrokkenheid. Niet 'ieder voor zich', maar 'oog voor elkaar' en 'normaal met elkaar omgaan'. In een wereld vol beweging geven gemeenschapszin en solidariteit mensen weerbaarheid en vertrouwen. Juist op kleinere schaal liggen tal van kansen. De kracht van wijken, buurten en dorpen moet beter worden benut. Op dat schaalniveau voelen mensen zich vertrouwd en komen ze tot goede initiatieven.
In ons land waar mensen met verschillende culturele achtergronden leven, is het cruciaal dat er een stevige basis is van gedeelde waarden en normen, van respect en fatsoen. Ons land is een eenheid in verscheidenheid.
Sociale samenhang vereist dat iedereen naar vermogen meedoet in economisch en maatschappelijk opzicht. Mensen die daartoe nog de mogelijkheden missen, worden daarbij geholpen. Een verplichtende aanpak van inburgering is noodzakelijk. Ieders talenten en vaardigheden zijn waardevol en nodig. Wie naar Nederland komt om hier voor langere tijd te leven, heeft de verantwoordelijkheid ook naar vermogen een bijdrage te leveren aan onze samenleving. Wie dat doet, hoort er vervolgens ook echt bij. Overheden, bedrijven en organisaties zullen continu moeten werken aan het verlagen van drempels, zodat iedereen kan meedoen. Discriminatie is uit den boze.
Problemen en mogelijkheden waarmee mensen in hun leven te maken hebben, zijn nauw met elkaar verweven. Daarom moeten de beleidskokers worden verlaten: beleid op het gebied van arbeidsparticipatie, onderwijs, gezin, mantelzorg, levensloop en jeugd dient onderling afgestemd te zijn ten behoeve van de mensen om wie het gaat. Door gedeelde waarden, participatie, emancipatie en integratie zal sociale samenhang bevorderd kunnen worden.
Sociale samenhang komt niet tot stand zonder een goed functionerend publiek domein en een gedeeld waardenbesef. Daar draagt iedereen verantwoordelijkheid voor. In de eerste plaats ouders en opvoeders. Maar ook talloze anderen, van politieagent tot ambulancechauffeur, van leraar tot burgemeester, van voetbalclub-vrijwilliger tot mantelzorger, van journalist tot geestelijk leider. Van hen mag daarom een hoge mate van integriteit gevraagd worden. Op hun beurt mogen zij ook in moeilijke omstandigheden de overheid aan hun zijde weten.
Er komt een offensief om probleemwijken te ontwikkelen naar prachtwijken. Onderdeel daarvan zijn aanvalsplannen met gemeenten, woningcorporaties, bedrijfsleven, politie, welzijnswerk en scholen, waarbij zij het eens worden over doelen, geld en middelen. De rijksoverheid is medefinancier, inspirator en verbinder.
De wachtlijsten voor inburgerings- en taalcursussen worden weggewerkt. De inburgering wordt verdiept: het gaat om 'meedoen' in de breedste zin van het woord. Wie meedoet, hoort er vervolgens ook echt bij. Met gemeenten, maatschappelijke organisaties en onderwijsinstellingen maakt de rijksoverheid dit Deltaplan.
Een brede aanpak van zorg voor en bescherming van kinderen en jeugd wordt in een project vormgegeven. De gedachte daarachter is: de kokers voorbij, rekening houdend met de aanbevelingen van de Operatie 'Jong'. Er komen Centra voor Jeugd en Gezin, waarin jeugdzorg en opvoedondersteuning en andere organisaties elkaar vinden en de handen ineen slaan.
Er komt een inzet op verbreding en verdieping van arbeidsparticipatie en van maatschappelijke participatie (mantelzorg, vrijwilligerswerk). Deze inzet wordt mede uitgewerkt in samenspraak met sociale partners in de vorm van een sociaal akkoord.
Veiligheid is een basisvoorwaarde voor een gelukkig bestaan en een kerntaak van de staat. Veiligheid, zekerheid en betrouwbaarheid zijn van steeds grotere betekenis in een open maatschappij. Tegelijkertijd staan ze onder steeds grotere druk, onder meer door de dreiging van internationaal terrorisme.
Garanties voor absolute veiligheid zijn niet mogelijk. Een van de grootste
uitdagingen van de komende tijd is om een klimaat van veiligheid,
rechtszekerheid en rechtsbescherming te waarborgen dat mensen vertrouwen
geeft.
Daarbij gaat het niet alleen om bestrijding van criminaliteit en geweld, maar
ook om de preventie daarvan.
Veiligheid is geen zaak van politie en justitie alleen. Burgers, bedrijven en organisaties zijn medeverantwoordelijk. Anderen met respect tegemoet treden in de openbare ruimte levert een onmisbare bijdrage aan een land waarin mensen zich veiliger en vertrouwder voelen.
Het voorkomen van (jeugd)criminaliteit, recidive, radicalisering, asociaal gedrag en fraudebestrijding wordt geïntensiveerd. Waar grenzen worden overschreden, volgt een stevige aanpak. De overheid spreekt burgers, scholen, bedrijven, publieke instellingen en diensten daarbij aan. De verschillende initiatieven van de overheid op dit terrein, waaronder het Doe Normaal-project, worden gebundeld.
Deze tijd vraagt om een overheid die zich opstelt als bondgenoot van de samenleving, die betrouwbaar wil zijn en die samen met burgers aan oplossingen werkt. Professionals in de publieke sector zijn degenen die daaraan concreet handen en voeten geven.
Niet stelsels en systemen, maar mensen en hun mogelijkheden dienen centraal te staan in het denken van de overheid. De overheid moet vertrouwen geven, ruimte laten, en mensen toerusten om volwaardig te participeren en verantwoordelijkheden te dragen. De menselijke maat is daarbij leidraad en kwaliteit staat centraal. Dit alles vraagt een vermindering van 'bestuurlijke drukte', een betere bestuurlijke werkwijze en een intensieve dialoog met de samenleving. Geen blauwdrukken van bovenaf, maar zoeken naar draagvlak, open staan voor initiatieven van burgers, streven naar maatwerk en waar mogelijk decentralisatie.
De Rijksdienst functioneert op de meeste onderdelen goed. Verdere
verbeteringen en besparingen zijn mogelijk met een ambitieus programma.
Daarin gaan herijking van politieke prioriteiten, een andere werkwijze en
verbeteringen in de bedrijfsvoering hand in hand. Kokers moeten worden
doorbroken. Coördinerende verantwoordelijkheden zonder bevoegdheden moeten
worden vermeden.
Toezicht vanuit de overheid moet zoveel mogelijk gebeuren vanuit vertrouwen.
Leraren, artsen, agenten, hulpverleners en andere professionals zijn van
onschatbare waarde en verdienen onze volle steun en ons volle vertrouwen. De
overheid moet zich dienstbaar opstellen. Regels zijn nodig en moeten worden
nageleefd. Maar wel moet steeds worden bezien of een regel echt nuttig
is.
De verantwoordelijke minister stelt in samenspraak met de betrokken gemeenten en provincies een urgentieprogramma op voor de Randstad (Randstadoffensief), waarmee een betere bereikbaarheid en een beter woon- , werk- en leefklimaat wordt bereikt onder andere door de bestuurlijke drukte te verminderen en een meer slagvaardig optreden van de overheid.
Deze zes pijlers schragen de beleidsagenda van het kabinet. Op deze
pijlers is een substantiële investeringsagenda gebaseerd, samen met 10
projecten.
De investeringsagenda is gebaseerd op de huidige begrotingsspelregels. Het
begrotingstekort van -0,2% in 2007 wordt omgebogen naar een structureel
begrotingsoverschot van +1,0% in 2011 (feitelijk overschot 1,1%).
Besparingen, voornamelijk door efficiency, scheppen ruimte voor
intensiveringen oplopend naar 7 miljard in 2011. Door lastenverschuivingen
(onder meer milieubelasting) ontstaat ruimte voor lastenverlichting oplopend
naar 3 miljard in 2011 ten behoeve van participatie, economische
structuurversterking en koopkracht.
Voor het verwerven van een breed draagvlak voor het te voeren beleid zal
het kabinet het gesprek aangaan met burgers, maatschappelijke organisaties en
medeoverheden. De overheid heeft een eigen verantwoordelijkheid. Dit doet
niets af aan het feit dat beleid dat in dialoog tot stand komt, tot grotere
betrokkenheid leidt. Dat bevordert de uitvoerbaarheid en leidt tot betere
resultaten.
Leidraad voor beleid en uitvoering is de menselijke maat. In kleinschalige
verbanden vinden mensen zowel vertrouwdheid als dynamiek. In buurten, wijken,
organisaties en bedrijven ontplooien mensen gemakkelijker initiatieven dan in
grote anonieme verbanden.
Dit vergt een overheid die herkenbaar, toegankelijk en communicatief is. Het kabinetsbeleid wordt beter herkenbaar door een éénduidige en thematische presentatie. De komende vier jaar wordt een samenhangende en transparante werkwijze nadrukkelijk nagestreefd.
Het kabinet zal dit coalitieakkoord uitwerken in een beleidsprogramma, te presenteren voor de zomer en in te vullen met Prinsjesdag 2007, waarin de zes pijlers en 10 bijbehorende projecten nader vorm krijgen. De 10 projecten beogen integrerend te werken zowel voor het beleid, in de uitvoering als tussen de ministeries. Ze moeten ontkokering bevorderen en samenhang tot stand brengen. Per project is één bewindspersoon verantwoordelijk, ook voor het verkeer met het parlement.
Het beleidsprogramma zal uitdrukking geven aan de wens om te werken met zo concreet mogelijk geformuleerde doelstellingen ('Wat willen we bereiken?), de instrumenten en financiën ('Wat gaat het kosten?'). Het beleidsprogramma draagt bij aan samenhang van beleid, aan transparantie en aan het kunnen afleggen van verantwoording.
Dit is de manier waarop we samen willen werken: in dialoog, samenhangend,
transparant, met een verbindende overheid en een dienstbare publieke
sector.
Doel: een welvarende, duurzame, sociale en veilige toekomst, internationaal,
in Europa en in eigen land.
Nederland heeft van oudsher een open en positieve houding tegenover de
wereld en Europa. Die 'open geest' heeft ons welvaart, stabiliteit en een
hoge kwaliteit van leven gebracht. Veel vraagstukken reiken over grenzen heen
en raken steeds meer verknoopt. Economische ontwikkeling, bestrijding van
armoede, energievoorziening, de noodzaak van een schoner milieu, veiligheid,
kennisontwikkeling en -verspreiding, ze hangen ten nauwste samen.
Daarom investeert Nederland uit overtuiging in versterking van de
internationale samenwerking en rechtsorde en in duurzame ontwikkeling van
landen waar armoede heerst. Daarom stelt Nederland zich actief op in
internationale organisaties en in de Europese instellingen. Nederland wil
zich blijven profileren als een constructieve en creatieve internationale
partner. We zijn nodig voor de internationale veiligheid en saamhorigheid en
voor een resultaatgericht Europa. Het kabinet zet zich in voor een sterk
draagvlak voor de Europese samenwerking, in dialoog met de burgers.
1. Gestreefd wordt naar een wijziging en eventuele bundeling van de
bestaande verdragen van de Europese Unie waarin subsidiariteit en
democratische controle zeker gesteld worden en die zich in inhoud, omvang en
benaming overtuigend onderscheidt van het eerder verworpen 'grondwettelijk
verdrag'. Over deze en andere aspecten van die verdragswijziging(en) zal de
Raad van State advies gevraagd worden. Nederland zet zich in Europees verband
in voor een goede samenwerking met een heldere taakverdeling tussen de
lidstaten en de Unie gebaseerd op het subsidiariteitbeginsel. In dat kader
wordt ernaar gestreefd afspraken te maken over de verenigbaarheid van de
interne markt-gedachte met de inrichting van publieke voorzieningen (o.a.
pensioenen, sociale zekerheid, fiscaliteit, onderwijs en gezondheidszorg), en
over meer Europese samenwerking op het gebied van versterking van de
concurrentiekracht van de Europese economieën, grensoverschrijdende
milieuproblemen, energiebeleid, asiel- en migratiebeleid, het externe beleid
en de bestrijding van terrorisme en grens-overschrijdende en georganiseerde
criminaliteit. De positie van de nationale parlementen met betrekking tot de
subsidiariteitstoets moet worden versterkt (bijvoorbeeld met een 'rode
kaartprocedure').
2. De Europese Unie heeft de afgelopen jaren een aanzienlijke uitbreiding
ondergaan. Nu komt het erop aan om er eerst aan te werken dat de nieuwe
landen geheel zijn geïntegreerd en dat de organisatie van de EU op de
uitbreiding is toegesneden. Voor de huidige kandidaat-lidstaten geldt dat een
toetredingsdatum pas wordt genoemd op het moment dat aan alle
Kopenhagen-criteria is voldaan. Landen kunnen in aanvulling of vooruitlopend
op het kandidaat-lidmaatschap van de EU beschikken over nieuwe statusvormen
zoals het partenariaat.
3. Nederland blijft voorstander van een alomvattend akkoord voor het
conflict tussen Israël en de Palestijnen. Een dergelijk akkoord kan pas stand
houden met veilige en erkende grenzen voor Israël en een levensvatbare
Palestijnse staat. Nederland zal met partners in de VN en EU, maar ook actief
bilateraal, een beleid voeren dat bijdraagt aan de bevordering van vrede en
stabiliteit in de gehele regio.
4. Nederland stemt het veiligheidsbeleid af op de nieuwe situatie in de
wereld en richt zich op vredesmissies, op bestrijding van terrorisme, op
conflictpreventie en op wederopbouw. Een adequaat volkenrechtelijk mandaat is
vereist bij deelname aan missies met inzet van Nederlandse militairen. Het
z.g. Toetsingskader is leidraad bij de besluitvorming, waarbij parlementaire
instemming is verzekerd.
5. Om operationele knelpunten op te heffen en om uitvoering te geven aan de
aanbevelingen van de commissie Staal zijn gerichte versterkingen van de
capaciteit van de krijgsmacht nodig.
6. In 2007 wordt het MoU ten aanzien van JSF-testtoestellen ondertekend. In
2008 wordt de business case herijkt voordat in 2009 besluitvorming
plaatsvindt over de contractondertekening voor de definitieve aanschaf van
testtoestellen. Op basis van de herijking en van een vergelijking voor wat
betreft prijs, kwaliteit en levertijd met mogelijke andere toestellen zal het
kabinet in 2010 besluiten aan de Tweede Kamer voorleggen over vervanging van
de F16 toestellen.
7. De nazorg voor uitgezonden militairen en voor veteranen wordt verbeterd.
Er zal worden bezien of hiervoor wetgeving moet worden voorbereid.
8. Europa moet zich sterk maken voor de positie van arme landen binnen
internationale organisaties als de WTO. De ontwikkelingslanden moeten daarbij
gestimuleerd en gefaciliteerd worden om veel sterker te gaan participeren in
het wereldhandelsstelsel.
9. Binnen het ontwikkelingssamenwerkingbeleid zal er meer aandacht komen voor
het realiseren van de zogenoemde Millennium Ontwikkelings Doelstellingen,
voor het harmoniseren van bilaterale hulp en voor nieuwe Nederlandse
initiatieven voor verdergaande schuldverlichting.
10. Er worden de komende kabinetsperiode bovenop de 0,8% BBP extra middelen
voor ontwikkelingssamenwerking vrijgemaakt en geoormerkt voor duurzame
energie.
11. Het ORET-instrumentarium zal worden aangepast teneinde de relevantie voor
de potentiële MKB-doelgroep in Nederland en in ontwikkelingslanden te
vergroten.
Een vitale en innovatieve economie is de basis voor duurzame ontwikkeling van onze welvaart. Nederland zal aan behoud en versterking van zijn concurrerend vermogen moeten blijven werken. Concurrentiekracht is steeds meer afhankelijk van innovatief vermogen en van de mate waarin Nederland in staat is toegevoegde waarde en kwaliteit te leveren. Essentieel daarvoor zijn: een goed opgeleide en toegeruste beroepsbevolking, hoogwaardige kennis en kunde, ondernemingszin, een gunstig investeringsklimaat en een verantwoorde ontwikkeling van de loonkosten. Creativiteit is de bron van innovatie.
1. Ondernemingen, maatschappelijke organisaties en instellingen en de
mensen die daarin werken, verdienen het vertrouwen en de ruimte om zich
voluit te kunnen ontplooien.
2. Zelfstandig ondernemerschap zal worden gestimuleerd. Het wordt
gemakkelijker gemaakt om de overstap te zetten van werknemerschap naar
ondernemerschap en omgekeerd. Het starten van een eigen onderneming ook naast
de dienstbetrekking zal -mede fiscaal - worden gestimuleerd. Bijzondere
aandacht zullen startende ondernemingen in oude achterstandswijken
krijgen.
3. Bestaande durfkapitaalregelingen zullen worden gebundeld en effectiever
ingezet, gericht op een goede toegang tot de kapitaalmarkt voor starters en
groeiende bedrijven. Ook de beschikbaarheid van micro-kredieten voor
startende ondernemers wordt verbeterd.
4. Het MKB zal de komende kabinetsperiode meer aandacht en accent krijgen. De
positie van het MKB wordt bevorderd door ruimere toegang tot
innovatiesubsidies, innovatievouchers en overheidsopdrachten.
5. In het onderwijs krijgt ondernemerschap meer aandacht. Opname in het
studieprogramma van het vak ondernemerschap wordt bevorderd. Samenwerking
tussen het beroepsonderwijs en het bedrijfsleven wordt gestimuleerd om een
betere aansluiting van het onderwijs met de beroepspraktijk te
bewerkstelligen.
6. Het oplopende tekort aan technici en technologen vraagt om een gerichte
aanpak. Een in te stellen taskforce "technologie, onderwijs en arbeidsmarkt"
zal worden gevraagd daarvoor advies te geven en actie te ondernemen.
7. Het project vermindering regeldruk bedrijven zal worden gecontinueerd: de
inzet is een nieuwe tranche van 25% reductie administratieve lasten.
8. De procedure van vergunningverlening voor bedrijven wordt - door bundeling
van vergunningen en ruime toepassing van het instrument van de lex silentio
positivo - zo aangepast dat vergunningen aanzienlijk sneller worden
verleend.
9. Het oneigenlijke gebruik van de toerismebepaling in de Winkeltijdenwet ter
verruiming van het aantal koopzondagen wordt tegengegaan.
10. Kansrijke initiatieven en betekenisvolle sectoren in de Nederlandse
economie zullen mede vanuit het kennis- en innovatiebeleid gericht worden
ondersteund, in het kader van de zogenaamde sleutelgebiedenaanpak.
11. In het kader van de internationale handelspolitiek (WTO Doha-ronde) wordt
een verdere vermindering van tariefmaatregelen nagestreefd, ook in de
landbouwsector.
Een gezonde dynamische economie kan niet zonder ontwikkeling van
hoogwaardige kennis en toepassing daarvan. Nieuwe processen, producten en
diensten zijn een voorwaarde voor het behoud van een sterke
concurrentiekracht en gezonde economische groei.
1. Een goede samenwerking en uitwisseling tussen universiteiten, hogescholen,
kenniscentra en het bedrijfsleven komt het innoverende vermogen van onze
economie ten goede. Hier ligt een belangrijke maatschappelijke
verantwoordelijkheid van instellingen in het (beroeps)onderwijs en van
werkgevers.
2. Er wordt - met speciale aandacht voor de ontwikkeling van duurzame energie
- extra geïnvesteerd in het ongebonden en zuiver wetenschappelijk onderzoek
en in het onderzoek in de tweede geldstroom.
3. Aan innovatie wordt een impuls gegeven door versterking van de
WBSO-regeling en een uitbreiding van de innovatievouchers.
4. De mogelijke bevordering van nieuwe innovatieve technieken zal bij
aanbestedingen door het Rijk worden meegewogen. De positie van de overheid
als launching customer zal worden versterkt.
5. Herijking van het reguliere vreemdelingenbeleid conform de nota 'Naar een
modern migratiebeleid' wordt uitgewerkt in een meerjarenprogramma voor de
immigratie ten behoeve van de arbeidsmarkt en door continuering en verdere
verbetering van het beleid ten aanzien van "kennismigranten". Bezien wordt of
de hoogte van leges onnodige belemmeringen oplevert voor deze groepen; alsdan
wordt de hoogte van deze leges aangepast.
6. Het Innovatieplatform blijft bestaan en wordt opnieuw ingericht voor de
taken die in de komende periode aan de orde zijn, met bijzondere aandacht
voor de deelgebieden zorg, energie en waterbeheer. De samenstelling en de
betrokkenheid van de departementen zal nader worden bekeken.
1. Er zal worden ingezet op het accommoderen van mobiliteitsbehoeften op
een zodanige wijze dat de kwaliteit van de leefomgeving in afnemende mate
wordt belast.
2. Om de bereikbaarheid over de weg in het algemeen en van de Randstad in het
bijzonder te verbeteren, zal het systeem van kilometerheffing
(gedifferentieerd naar tijd, plaats en milieukenmerken) in de komende
kabinetsperiode - eventueel gefaseerd - worden ingevoerd, mits aan de
randvoorwaarden van het naar rato afschaffen van bestaande belastingen (BPM,
MRB, Eurovignet) en een maximale hoogte van de systeem- en inningskosten van
niet meer dan 5 % van de opbrengst wordt voldaan.
3. De netto opbrengsten van de kilometerheffing komen uitsluitend ten goede
aan het infrastructuurfonds, waaruit landelijke en regionale
investeringsprojecten in de verkeersinfrastructuur worden gefinancierd.
4. Schiphol kan binnen de bestaande milieu- en geluidsnormen doorgroeien,
waarbij woningen op grotere afstand van Schiphol beter beschermd worden tegen
geluidhinder.
Op korte termijn worden de mogelijkheden bezien van de ontwikkeling van
Lelystad als overloop, met inachtneming van overige regionale
vliegvelden.
5. De aandelen Schiphol zullen niet op de beurs worden gebracht. Het
voornemen tot vernietiging van het raadsbesluit van Amsterdam inzake de
verkoop van aandelen Schiphol zal niet worden uitgevoerd. Het kabinet start
overleg met de luchthaven Schiphol en de gemeente Amsterdam om op een andere
manier middelen vrij te maken
uit het overheidsaandeel zonder afstand te doen van de zeggenschap en om de
mogelijkheden voor Schiphol om vreemd vermogen aan te trekken te vergroten.
De extra opbrengsten uit het overheidsaandeel in Schiphol zullen bij voorrang
worden aangewend voor ontsluiting van de Noordvleugel. Ultimo 2007 zal een
definitief besluit worden
genomen.
6. In het stads- en streekvervoer komt ruimte om te experimenteren met
tariefdifferentiatie, waaronder gratis OV voor specifieke doelgroepen.
7. We zien de NS als een maatschappelijke onderneming, die als opdracht heeft
een zo groot mogelijk deel van de mobiliteitsbehoefte te accommoderen en de
kwaliteit van het spoorvervoer te verbeteren.
8. De ambitie voor groei van het OV over spoor wordt bijgesteld naar 5% per
jaar, de realisatie van de afgelopen twee jaren. De frequentie van treinen in
en om de grote steden wordt verhoogd om zo een goed alternatief te bieden
voor de auto. Aan achterstallig onderhoud aan het spoor zal worden gewerkt.
Bij de opstelling van het MIRT zal in de komende jaren met deze verhoogde
ambitie rekening worden gehouden.
9. Om de doorstroming op de weg te verbeteren zullen belangrijke wegcorridors
voor het personen- en goederenvervoer worden verbreed en een beperkt aantal
schakels worden aangelegd.
10. De Nota Mobiliteit zal leidend zijn bij de verdere uitvoering van het
beleid rond het thema mobiliteit en infrastructuur. Dit uitgangspunt sluit
beperkte herprioritering, mede ten gunste van de regio, niet uit.
1. Met regio's zullen - in aanvulling op het huidige beleid - afspraken
worden gemaakt over versterking van de regionale economische
ontwikkeling.
2. Voor regionaal economisch beleid w.o. bereikbaarheid worden extra middelen
vrijgemaakt.
3. De afspraken met Noord-Nederland over economische structuurversterking
door een snelle Zuiderzeelijn-spoorverbinding zullen worden nagekomen. Indien
een dergelijke snelle verbinding onvoldoende structuurversterkend rendement
oplevert en/of niet verantwoord te exploiteren is, dient er, afgestemd met
het Noorden en Flevoland en, uitgaande van deze afspraken, een alternatief
samenhangend pakket te komen. Daarvan maken infrastructurele maatregelen een
substantieel deel uit.
Goed onderwijs is in het belang van leerlingen en van de samenleving.
Ieder mens heeft talenten en mogelijkheden. Ontplooiing van talenten is
waardevol voor mensen zelf en voor de samenleving. Niemand mag de school
verlaten zonder afgeronde opleiding.
Daarom vinden investeringen plaats in de kwaliteit van het onderwijs en wordt
schooluitval stevig aangepakt. Nu de economie meer en meer een kenniseconomie
wordt, komt er steeds meer behoefte aan goed opgeleide mensen. We willen tot
de Europese top van wetenschappelijk onderzoek behoren. De top moet hoger, de
basis breder. Ruimte geven aan het onderwijs voor betere kwaliteit, betekent
vrijheid van keuze voor ouders en voor studenten. Onderwijsinstellingen
krijgen meer mogelijkheden invulling te geven aan het onderwijs door
vertrouwen te geven aan de professionals in het onderwijs, minder regels en
minder toezicht.
1. De kwaliteit van ons onderwijs moet worden gegarandeerd. Wat leerlingen en
studenten moeten kennen en kunnen aan het einde van hun leerloopbaan wordt
duidelijk vastgelegd, evenals de maatschappelijke doelen van het onderwijs.
Scholen krijgen meer ruimte voor de invulling daarvan. Ze leggen over
resultaten verantwoording af aan
ouders, studenten en minister. Als de kwaliteit te kort schiet moet de
minister snel en effectief kunnen ingrijpen. Bij goed presteren van
onderwijsinstellingen zal sprake zijn van vermindering van toezicht.
2. Scholen hebben recht op naleving en bescherming van hun grondslag en
traditie.
3. Segregatie in het onderwijs moet worden bestreden. Zonder dat er sprake is
van een acceptatieplicht, zal hier sterk op worden ingezet. Mede daarom wordt
het recent in werking getreden onderwijsachterstandsbeleid voortvarend ten
uitvoer gebracht, zal er versneld worden gewerkt aan gemengde stadswijken en
wordt overleg tussen grote steden en randgemeenten over de gezamenlijke
huisvestingsproblematiek gestimuleerd en gefaciliteerd. Om daarnaast te
bevorderen dat elk kind gelijke kans heeft om op school te worden toegelaten,
wordt er vanaf 2008 gewerkt met vaste aanmeldmomenten voor het primair
onderwijs, eventueel aangevuld met een loting.
4. Het kleinschalig organiseren van scholen, eventueel binnen bestaande
grootschalige verbanden, zal worden bevorderd. Tegen die achtergrond zal de
fusieprikkel voor het voortgezet onderwijs worden afgeschaft.
5. Schoolboeken in het voortgezet onderwijs worden gratis. Financiering zal
plaatsvinden via de lump-sum bekosting.
6. Het streven is te komen tot vermindering van de werkdruk en verhoging van
de kwaliteit in het onderwijs. Hiervoor zal een actieplan mede gericht op de
lange termijn worden geformuleerd. Een breed samengestelde commissie zal
gevraagd worden daarvoor bouwstenen aan te leveren. Onderwerpen die daarbij
in samenhang aandacht verdienen zijn: het lerarentekort, kwaliteit
lerarenopleidingen, belonings- en functiedifferentiatie,
loopbaanperspectief, omvang lestaak, hoeveelheid contacturen, ruimte voor
individuele leerlingbegeleiding, onderwijsontwikkeling en professionaliteit
docent, en ruimte voor maatwerk.
7. Bij de verdere uitwerking van plannen voor de integratie van
zorgleerlingen in het regulier onderwijs zal rekening moeten worden gehouden
met de mogelijkheden van scholen om leerlingen met een zware zorgvraag een
plaats binnen de school te geven. De aanwezigheid van de daarvoor benodigde
voorzieningen en voldoende expertise bij
docenten is om die reden een belangrijke voorwaarde bij de uiteindelijke
invoering.
8. Speciaal onderwijs blijft een noodzakelijke aanvulling op het reguliere
onderwijs. Het wegwerken van wachtlijsten en de verdere vereenvoudiging van
de indicatiestelling, waar mogelijk in samenhang met de (jeugd)zorg, krijgen
prioriteit.
9. Er komt na overleg met het onderwijsveld op korte termijn één nieuw
geïntegreerd wetsvoorstel voor bekostiging en besturing van hoger onderwijs
en onderzoek. Dit wetsvoorstel zal o.a. aandacht besteden aan
kwaliteitsverbetering en de positie van kwetsbare opleidingen. Tevens zal het
uniforme, eenvoudige en handhaafbare bekostigingsregels bevatten die
oneigenlijke bekostiging kunnen tegengaan en recht doen aan de positie van de
student. Het wetsvoorstel leerrechten zal in afwachting van dit wetsvoorstel
worden aangehouden.
10. Er zal extra worden geïnvesteerd in het hoger onderwijs, met name via de
1ste en 2e geldstroom.
11. Bestrijding van voortijdig schoolverlaten zal krachtig ter hand worden
genomen. Uitgangspunt vormt hierbij de nota "Aanval op de uitval". In het
kader van voorkomen van voortijdig schoolverlaten wordt het bedrag per
deelnemer in het MBO verhoogd, zodat betere begeleiding kan worden
gerealiseerd. Hier ligt ook een grote
maatschappelijke verantwoordelijkheid voor het bedrijfsleven: ondernemingen
zullen voldoende stage- en opleidingsplaatsen moeten aanbieden. Het
beroepsonderwijs zal moeten zorgen voor de aansluiting met de
beroepspraktijk.
12. In het onderwijsachterstandenbeleid zal de drempel van 6,4% worden
verlaagd naar 3%.
13. Wetgeving die doorstroming in de beroepskolom vmbo-mbo-hbo belemmert zal
worden geschrapt.
14. Het concept van brede scholen zal worden gestimuleerd.
Respect voor het leven van mens, dier en natuur is het leidende beginsel. Een nieuwe balans tussen ecologie en economie is nodig, waarbij economische dynamiek en ecologische ontwikkeling met elkaar worden verbonden. We zullen onze manier van produceren en consumeren zo moeten veranderen dat verdere aantasting van ecosystemen wordt voorkomen. De druk op het milieu moet omlaag. Door toepassing van nieuwe innovatieve technologieën en een bewuster gedrag kan veel vooruitgang worden geboekt voor mens en milieu. Hier liggen ook grote kansen voor nieuwe economische activiteiten en versterking van ons concurrentievermogen. Nederland kan hierbij voortbouwen op zijn sterke, innovatieve traditie als waterland.
1. Er zal - met alle de overheid ten dienste staande middelen - worden
ingezet op een versnelde introductie van nieuwe schone technologieën, mede
gericht op het verwerven van een economische voorsprong van ons land. Vooral
in die sectoren waarin Nederland traditioneel een vooraanstaande plaats
inneemt: energie, water en voedingsindustrie (o.a. Food Valley). Kennis- en
innovatiebeleid zullen hier nog meer op worden gericht.
2. Onze ambitie is dat Nederland de komende kabinetsperiode grote stappen
neemt in de transitie naar één van de duurzaamste en efficiëntste
energievoorzieningen in Europa in 2020:
a. Het streven is een energiebesparing van 2% per jaar, een verhoging van het
aandeel duurzame energie tot 20% in 2020 en een reductie van de uitstoot van
broeikasgassen, bij voorkeur in Europees verband, van 30% in 2020 ten
opzichte van 1990. Gezocht zal worden naar een kosteneffectieve mix van
maatregelen om reductie van CO2-emissies te realiseren. Binnen Europees
verband wordt gestreefd naar gezamenlijke inspanningen als vervolg op het
Kyoto-protocol.
b. Er komt een MEP-regeling gericht op innovatie en het versneld concurrerend
maken van duurzame energie, die in het bijzonder kleine ondernemers
stimuleert en investeringszekerheid biedt.
c. Investeringen in de energie-efficiëntie van de bestaande woningvoorraad
worden gestimuleerd.
d. Er worden deze kabinetsperiode geen nieuwe kerncentrales gebouwd. De
kerncentrale Borssele blijft open.
3. Water is een dominant structurerend element van de inrichting van
Nederland. Het watermanagement in ons land wordt opnieuw bezien in het licht
van klimaatverandering. Daarbij horen het werken aan veilige dijken en
versterking van de kustverdediging. De veiligheid tegen overstromingen zal
worden verbeterd, door zwakke dijkvakken langs de kust aan te pakken en het
programma 'ruimte voor de rivier' uit te voeren. Er komt een
langetermijnstrategie voor veiligheid tegen overstromingen. Daarbij zullen de
jongste inzichten uit wetenschappelijk onderzoek worden betrokken.
4. Waar de mate van milieuvervuiling en milieubevordering onvoldoende in de
marktprijzen tot uiting komt, zullen waar mogelijk positieve en/of negatieve
financiële prikkels - heffingen, gedifferentieerde belastingen en
(tijdelijke) subsidies - worden ingevoerd. Op die manier wordt duurzame
productie en consumptie gestimuleerd. De noodzaak van een Europees gelijk
speelveld zal hierbij niet uit het oog worden verloren. Uitgangspunt is dat
heffingen pas aan de orde zijn als consumenten of bedrijven alternatieven
voor hun milieubelastende gedrag hebben.
1. De ruimtelijke inrichting wordt in belangrijke mate lokaal bepaald. Het
Rijk stelt structuurvisies op voor ruimtelijke ordeningsvraagstukken en
projecten die het lokale en/of regionale niveau overstijgen. De nieuwe Wet op
de ruimtelijke ordening en de Nota Ruimte geven daartoe de mogelijkheden en
definiëren ook de positie en verantwoordelijkheden van medeoverheden als het
gaat om de inrichting van Nederland. Aanpassing aan de gevolgen van de
klimatologische ontwikkelingen zullen een voorname rol spelen bij de
toekomstige ruimtelijke ontwikkeling.
2. Ruimtelijke projecten, zoals de ontwikkeling van de Nationale
Landschappen, de mainport Schiphol, de Noord- en Zuidvleugel en de verdere
ontwikkeling van Almere, Zuid-Oost Brabant en Noord Limburg worden in
samenhang bezien met infrastructuur en (openbaar) vervoer. In plaats van het
MIT komt er een Meerjarenprogramma
Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT).
3. Aan de mainportfunctie van de Rotterdamse haven wordt groot belang gehecht
voor onze nationale economie. Goede achterlandverbindingen spelen hierbij een
belangrijke rol. Het goederenvervoer over water en de innovatie van de
binnenvaart zullen worden gestimuleerd. Hiervoor zullen extra middelen
beschikbaar komen.
4. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma luchtkwaliteit wordt verder
uitgevoerd en waar mogelijk worden lokale knelpunten versneld
aangepakt.
5. Plattelandsontwikkeling zal een hoge prioriteit krijgen gericht op een
vitaal en veelzijdig platteland.
6. Behoud van voldoende voorzieningen in kleine kernen op het platteland
wordt ondersteund. Met het oog op het behoud van een vitaal platteland wordt
het mogelijk gemaakt dat plattelandsgemeenten voor de eigen bevolking kunnen
bouwen. De Huisvestingswet zal hiervoor worden aangepast.
7. De Europese afspraken over de hervorming van het landbouwbeleid vormen het
kader voor het Nederlandse beleid. Het kabinet zal zich er bij de mid-term
review in 2008/2009 voor inzetten om de huidige Europese inkomenstoeslagen in
de landbouw in de toekomst meer te koppelen aan het realiseren van
maatschappelijke waarden, zoals voedselveiligheid en voedselzekerheid, het in
stand houden van het landschap en de zorg voor milieu en dierenwelzijn. De
financiering van deze toeslagen dient te geschieden binnen een communautair
kader. De agrarische sector moet zich kunnen blijven ontwikkelen door het
stimuleren van innovatie, diversificatie, en biologische landbouw, en het
beheer van natuur en landschap.
8. In overleg met de visserijsector zal worden bezien hoe de sanering als
gevolg van recente besluitvorming in de EU vorm moet krijgen en door de
overheid kan worden begeleid.
1. De inzet is te komen tot een verdere verbetering van het dierenwelzijn.
Nog dit jaar zal een nieuwe Nota Dierenwelzijn worden uitgebracht, waarin het
dierenwelzijnsbeleid wordt uitgewerkt.
2. Met kracht zal worden gestreefd naar aanscherping van wettelijke eisen in
Europees verband.
3. Grote nadruk zal liggen op het stimuleren van innovaties en investeringen
in diervriendelijke houderijsystemen en van de consumentenvraag naar
diervriendelijke en duurzame producten. Investeringen in
diervriendelijke
houderijsystemen die verder gaan dan de wettelijke eisen zullen worden
ondersteund.
4. De strafmaat voor dierenmishandelaars zal worden verhoogd en aan hen zal
een verbod op het houden van dieren worden opgelegd. De handhaving van
bestaande regelgeving voor dierenbescherming en dierenwelzijn zal de komende
jaren worden geïntensiveerd.
De kracht en kwaliteit van de samenleving worden bepaald door onderlinge betrokkenheid. Betrokkenheid begint met meedoen. In een betaalde baan, in het vrijwilligerswerk, in de zorg voor anderen. Sociaal is het niet aanvaardbaar dat mensen buiten de samenleving staan, economisch is het niet verantwoord. Wij willen samen met de sociale partners mensen die op afstand staan van de arbeidsmarkt actief ondersteunen om die afstand te overbruggen. Voor ouderen wordt het gemakkelijker en aantrekkelijker om langer door te werken. In de bijdrage aan de collectieve sector zullen de sterke schouders de zwaarste lasten dragen.
Het gezin is een belangrijke bron voor het kweken van betrokkenheid bij de samenleving. Een gezinsvriendelijk beleid draagt eraan bij dat kinderen van jongs af aan zelfvertrouwen, weerbaarheid en verantwoordelijkheidsgevoel meekrijgen. Speciale aandacht is nodig voor de wijken waar veel problemen samenkomen. Samen met alle betrokkenen willen we die probleemwijken omvormen tot wijken waar mensen kansen hebben en weer graag wonen.
In onze samenleving is arbeid meer dan een middel om inkomen te verwerven. Het biedt de mogelijkheid om 'bij te blijven' in een veranderende samenleving, een gelegenheid om nieuwe kennis en vaardigheden op te doen. Meer nog dan inkomen is werk een middel tot ontplooiing, zingeving en integratie.
Participatie komt eveneens tot uitdrukking in zorg voor elkaar, in vrijwilligerswerk en in mantelzorg. Het is van belang dat het beleid ook deze vormen volwaardig aandacht geeft.
Vergrijzing is een van de verschijnselen die de samenleving kleuren en veranderen. Ouderen leveren een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling en het functioneren van de samenleving. Ouderen zijn sociaal kapitaal dat van grote waarde is voor het adresseren van de maatschappelijke vragen waar we voor staan.
Er staan nog steeds te veel mensen langs de kant, zoals bijstandgerechtigden, langdurig werklozen, gedeeltelijk arbeidsgeschikten, herintredende vrouwen, jongeren zonder startkwalificaties en ouderen met onvoldoende perspectief op een baan. Geringe(re) arbeidsproductiviteit, grote afstand tot de arbeidsmarkt en/of het persoonlijke arbeidsverleden kunnen toetreding tot de arbeidsmarkt in de weg staan. De armoedeval kan mensen in een uitkering gevangen houden. We willen iedereen een eerlijke kans op werk bieden. Hier ligt een opgave voor kabinet en sociale partners gezamenlijk.
1. Het kabinet dient snel na zijn aantreden met sociale partners en
gemeenten het gesprek aan te gaan om te komen tot een gezamenlijke agenda en
werkafspraken voor een te houden "participatietop" van kabinet, sociale
partners en gemeenten nog vóór de zomer. De inzet is om met sociale partners
- die zich in het recente MLT-advies van de SER gebonden hebben aan een
ambitieuze participatiedoelstelling - tot een gezamenlijke aanpak te komen,
waaronder begrepen een sociaal akkoord, die moet leiden tot een substantiële
verhoging van de arbeidsparticipatie. Het streven is om in samenspraak
oplossingen te vinden voor de aanpak van de problematiek van de onderkant van
de arbeidsmarkt en de begeleiding van moeilijk bemiddelbare groepen naar de
arbeidsmarkt. Daarbij zal in ieder geval aandacht worden besteed aan:
a. Varianten van werk voor mensen die anders langdurig op een uitkering zijn
aangewezen:
i. Participatiebanen;
ii. Participatieplaatsen;
iii. Brugbanen;
iv. Opstapbanen en
v. Investeringsbanen.
b. De ontwikkeling van een markt voor persoonlijke dienstverlening;
c. Vormgeving van loonkostensubsidies aan werkgevers en/of loonaanvullingen
aan werknemers.
d. De toekomst van de WSW.
De centrale vraag is hoe deze arrangementen mensen die anders moeilijk zijn
in te schakelen op de arbeidsmarkt toch toegang daartoe kunnen bieden of hen
in staat stellen zich op andere wijze maatschappelijk nuttig te maken. Ook
zal aandacht dienen te worden besteed aan de uitvoeringsaspecten onder andere
in relatie tot de WWB de WSW. Tevens zullen in de context van een beoogde
verschuiving van baan- en uitkeringszekerheid naar werk- en inkomenszekerheid
aan de orde moeten komen de thema's arbeidsmarktbeleid, scholing en
opleidingen (employability), WW en flexibilisering en de betekenis van het
ontslagrecht daarvoor.
Om participatie te bevorderen zullen voorts de volgende maatregelen worden
genomen:
1. Wij willen de AOW ook in de toekomst welvaartsvast houden. Daarvoor is
allereerst nodig dat zoveel mogelijk mensen zo lang mogelijk doorwerken. Met
respect voor de keuzevrijheid van ouderen vragen wij aan ouderen met een
relatief hoger inkomen hun steentje bij te dragen aan de financiering van een
welvaartsvaste AOW door ofwel langer door te werken (tot aan hun 65e) ofwel
het betalen van een extra heffing. Van iedereen die na 1945 geboren is zal
vanaf 2011 een bijdrage naar draagkracht worden gevraagd om ook in de
toekomst een welvaartsvaste AOW te garanderen. Dat doen we in de vorm van een
heffing die jaarlijks wordt verhoogd met 0.6% totdat in 2040 het maximum van
17.9% wordt bereikt. Deze heffing wordt naar draagkracht geheven over het
aanvullende pensioen boven de 18.000 euro tot het maximum van de tweede
schijf [Noot 1: Deze vrijstelling correspondeert met een inkomen voor het
65ste jaar van ongeveer 38.000 euro (voor gehuwden) en 43.000 euro (voor
alleenstaanden).].
Bij doorwerken tot 65 jaar komt deze fiscale bijdragen per saldo te
vervallen. Voor iedere maand die iemand na zijn 63e doorwerkt (met een
jaarinkomen boven de 31.000 euro) wordt een arbeidsbonus verkregen [Noot 2:
Dit inkomen van 31.000 euro stemt overeen met de inkomensgrens van een
aanvullend pensioen van 18.000 euro plus AOW.].
Aldus staat het maximale voordeel van de bonus bij doorwerken tot 65 jaar
gelijk aan de bovengenoemde heffing. Bij doorwerken tot 65 jaar bedraagt de
heffing per saldo dan nul (pro rato opbouwen in twee jaar). Met sociale
partners zal in overleg worden getreden over de volgende uitvoeringsaspecten
van deze regeling: inkomsten uit onderneming en zware beroepen.
2. Tevens zal ter bevordering van de participatie vanaf 57 jaar de specifieke
aanvullende arbeidskorting voor ouderen worden verhoogd. De arbeidsdeelname
van ouderen na hun 65ste wordt aangemoedigd door belemmeringen in het
arbeidsrecht en fiscaliteit voor langer doorwerken weg te nemen. Bezien wordt
of ondernemersfaciliteiten ook voor ouderen kunnen worden opengesteld.
3. De overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting wordt geleidelijk in
twintig jaar met 5%-punt per jaar verminderd. Deze maatregel is van
toepassing op degenen die na 1971 zijn geboren en geen kinderen hebben in de
leeftijd van 0 tot en met 6 jaar.
4. De arbeidsparticipatie van mensen met lagere inkomens zal worden
ondersteund door de invoering van een inkomensafhankelijke arbeidskorting
(EITC) in de plaats van de huidige arbeidskorting. Voor huishoudens met
kinderen waarvan beide partners werken komt bovenop de inkomensafhankelijke
arbeidskorting een inkomensafhankelijke combinatiekorting. Beide maatregelen
worden mede gefinancierd uit de bevriezing van de algemene
heffingskorting.
5. Het stelsel van sociale zekerheid zal zodanig worden ontwikkeld en ingezet
dat het verwerven van nieuwe vaardigheden, employability en
arbeidsgeschiktheid worden bevorderd.
6. Vrijwilligerswerk en mantelzorg zullen ruimer financieel worden
gestimuleerd.
7. Tweeverdieners die gebruik maken van informele kinderopvang krijgen een
betere toegang tot financiële ondersteuning.
8. De ruimte voor gemeenten om via maatwerk participatiebevorderend beleid te
voeren zal worden vergroot door hen meer budgetzekerheid te geven bij de
inzet van WWB-gelden (W-deel).
9. Om voor gemeenten een samenhangende aanpak mogelijk te maken, zullen
zoveel mogelijk de bestaande schotten tussen de diverse op re-integratie en
participatie gerichte budgetten worden weggenomen, waaronder begrepen de
inburgeringbudgetten.
10. CWI, UWV en gemeenten worden via prestatie-afspraken aangespoord om hun
werkzaamheden op elkaar af te stemmen en de kwaliteit en effectiviteit van de
dienstverlening en re-integratie te verbeteren. Op lokaal niveau worden
arbeidsmarktbeleid en re-integratie samen gebracht in één loket.
11. De uitbreiding van de werkingsfeer van de Wet gelijke behandeling
chronisch zieken en gehandicapten wordt met kracht voortgezet.
12. Voor mensen met een (licht) verstandelijke beperking biedt werk een
zinvolle dagbesteding en een vorm van structuur. Het is van het grootste
belang om deze mensen de kans te geven te werken. Er komt extra budget
beschikbaar voor de intensivering van begeleid werken en sociale
werkplaatsen, onder meer om de wachtlijsten weg te werken (WSW-budget).
13. De levensloopregeling wordt verder uitgebreid en zodanig nader
vormgegeven dat de regeling meer dan thans het geval is over de volle lengte
van het arbeidzame leven de mogelijkheden tot (blijvende) arbeidsdeelname
ondersteunt en dat ook de start van een eigen bedrijf, de periode tussen twee
banen of de overgang naar deeltijdwerk kan worden overbrugd. In overleg met
sociale partners zal worden bezien of, en zo ja hoe, de spaarloonregeling kan
worden geïntegreerd met de levensloopregeling en worden opengesteld voor
zelfstandigen en zzp'ers. Leerrechten voor scholingsfaciliteiten en het
sparen voor inkomen tijdens een verruimd ouderschapsverlof worden aan de
bestaande levensloopregeling gekoppeld. Het gebruik van de levensloopregeling
voor vervroegd
pensioen wordt verder toegespitst op de inzet voor deeltijdpensioen. De
levensloopregeling zal beter toegankelijk worden gemaakt voor met name mensen
met lagere inkomens.
14. De uitkeringen van de WAO en de uitvoering van de WIA zullen als volgt
worden aangepast:
1. Net als de uitkeringen voor volledig duurzaam arbeidsongeschikten in de
WIA zullen ook de uitkeringen van bestaande gevallen volledig
arbeidsongeschikten in de WAO, WAZ en Wajong worden verhoogd van 70% naar
75%.
2. De grens van boven de 50 jaar op de peildatum 1 juli 2004 voor
vrijstelling van de herbeoordelingsoperatie met het aangepaste
Schattingsbesluit wordt verlaagd naar 45 jaar.
3. Degenen die nu worden vrijgesteld en al zijn herbeoordeeld met het
aangepaste Schattingsbesluit worden ingedeeld op het oude
arbeidsongeschiktheidspercentage. Door deze maatregel gelden in feite de
reguliere WAO-regels en het oude Schattingsbesluit voor iedereen die 45 jaar
of ouder was op 1 juli 2004.
4. Herbeoordeelde uitkeringsgerechtigden met een toename van de
verdiencapaciteit bij herbeoordeling die niet aan het werk zijn en geen
direct vooruitzicht op werk hebben, hebben recht op een
re-integratietraject.
5. De duur van de TRI-uitkering wordt verlengd van 6 naar 12 maanden, indien
wordt meegewerkt aan re-integratie.
6. Er worden in totaal 10.000 brugbanen van een jaar gecreëerd, die bij
voorrang worden ingezet voor degenen uit bovengenoemde groepen die na 12
maanden nog geen uitzicht op werk hebben.
7. Er zal in samenspraak met sociale partners een pakket aan maatregelen
worden gepresenteerd om de arbeidsmarktpositie voor gedeeltelijk
arbeidsgeschikten (35-) te versterken. De no-risk polis en premiekorting voor
werkgevers die een gedeeltelijk arbeidsgeschikte in dienst houden of nemen
worden uitgebreid.
8. De WGA zal volledig privaat uitgevoerd gaan worden.
9. De Pemba wordt afgeschaft.
Er wordt gestreefd naar een evenwichtige inkomensontwikkeling, met
bijzondere aandacht voor kwetsbare groepen, huishoudens met kinderen en de
middengroepen. De sterkste schouders zullen de zwaarste lasten moeten dragen.
Het inkomensbeeld in ons land moet hierbij wel in zijn internationale context
worden beschouwd.
1. Bijzondere aandacht is nodig voor het reëel besteedbare inkomen van
huishoudens. In dat verband dient in de eerste plaats acht te worden geslagen
op de vaste lasten die samenhangen met wonen (huur), zorg en kinderen en de
daarop geënte toeslagen.
2. Het naleven van de zogenoemde code Tabaksblat door topbestuurders zal
nauwlettend worden gevolgd. De ondernemingsraad krijgt (bij beursgenoteerde
vennootschappen) een adviesrecht aan de vergadering van aandeelhouders op het
voorstel van de Raad van Commissarissen voor het beloningsbeleid van
topbestuurders.
3. De mogelijkheden voor gemeenten voor het voeren van een gericht
armoedebeleid, schuldhulpverlening en inkomensondersteuning worden verruimd,
waar mogelijk in samenhang met bevordering van arbeidsparticipatie. Voor
gerichte ondersteuning van kwetsbare groepen komen extra middelen
beschikbaar.
4. Bijzondere aandacht gaat uit naar chronisch zieken en gehandicapten. De
tegemoetkoming voor buitengewone lasten wordt beter op hen toegesneden en
overgeheveld naar de WMO.
5. Verzilvering van de kinderkorting wordt mogelijk gemaakt.
6. Er komt een inkomensafhankelijke arbeidskorting.
7. De inkomens in de publieke en semi-publieke sfeer worden genormeerd
respectievelijk gemaximeerd. De beloningsstructuur wordt vereenvoudigd; voor
een aantal categorieën vloeit daar versobering uit voort. Met betrekking tot
de inkomens in de publieke en semi-publieke sfeer geldt het inkomen van de
Minister-President als maximumnorm. Daarbij wordt uitgegaan van het inkomen
zoals dit zou moeten zijn overeenkomstig het
kabinetsstandpunt op de voorstellen van de commissie Dijkstal. De aanpassing
van het inkomen van bewindspersonen aan deze norm geschiedt in stappen.
Aanpassingen zullen niet door het kabinet worden voorgesteld maar door een in
te stellen commissie van wijzen worden vastgesteld.
8. Bij de topverdieners in de publieke en semi-publieke sector wordt de
hoogte van een ontslagvergoeding gemaximeerd op één jaarsalaris.
Samenleven, gemeenschapszin, gedeelde waarden en normen en solidariteit
zijn essentiële kwaliteiten om als nationale gemeenschap kansen te realiseren
en weerbaar te zijn in een open, internationale samenleving. Sociale cohesie
vraagt een blijvende inzet voor een klimaat van zekerheid,
verantwoordelijkheid en participatie. Maatschappelijke integratie is daarvoor
noodzakelijk. Dat is niet alleen een kwestie van individuen die hun plaats
vinden in het maatschappelijk bestel, maar ook van wederzijdse
afhankelijkheid, respect voor elkaar en verdraagzaamheid tussen personen en
de gemeenschappen waarin zij leven. Gelijke behandeling is één van de
grondrechten van onze samenleving.
1. Voorwaarde voor integratie is dat we elkaar kunnen verstaan, begrijpen en
verdragen. Kennis van de taal, de samenleving en gemeenschappelijke waarden
en geschiedenis is dan ook wezenlijk voor die integratie, en voor het kunnen
participeren in de samenleving. Inburgering is daarom noodzakelijk voor wie
hier wil verblijven; de
ingeburgerde mag zich vervolgens in de samenleving geaccepteerd weten. Alle
inburgeringsplichtigen onder de nieuwe wet dienen te worden toegerust door
een stevig inburgeringsprogramma en een verplichte toets. Er komt een
uitgebreid 'delta-plan inburgering' voor oud- en nieuwkomers gericht op een
grote inhaalslag in de komende 4 jaar. De ambitie is om alle wachtlijsten
voor inburgerings- en taalcursussen weg te werken. Gemeenten en betrokken
maatschappelijke organisaties zullen daarin een belangrijke rol moeten
vervullen. Het streven is het niveau van de inburgeringscursus te verhogen
tot het niveau van een startkwalificatie.
2. Gemeenten krijgen ruimere bestedingsmogelijkheden om inburgeraars naar
capaciteit direct op een hoger niveau te laten inburgeren.
3. Niet alleen van wie naar hier komt, mag kennis van taal en gewoonten
verlangd worden; bij allen die hier wonen, moet taalachterstand worden
aangepakt. Daartoe komt er een breed programma om taalachterstanden weg te
werken. Kinderen waarbij op driejarige leeftijd door het consultatiebureau of
elders een taalachterstand wordt
geconstateerd, zullen via kinderopvang/peuterspeelzalen, voor- en
vroegschoolse educatie (groep 0) en aparte (schakel)klassen op het vereiste
niveau worden gebracht. De ouders van die kinderen worden hierbij direct
betrokken via een verbrede leerplicht.
4. Ook arbeidsparticipatie is belangrijk voor het welslagen van integratie.
De inspanning zal daarom mede moeten zijn gericht op een goede toeleiding
naar de arbeidsmarkt of zelfstandig ondernemerschap. Dat vergt toerusting
vanuit de overheid en minder vrijblijvendheid bij werkgevers en betrokken
instellingen. Het kabinet zal dit onderdeel
laten zijn van de participatietop met sociale partners.
5. Het gaat echter om meer dan alleen arbeidsparticipatie, het gaat om
maatschappelijke participatie en betrokkenheid, niet alleen van personen maar
ook van de gemeenschappen waarin men leeft.
6. Alle burgers die zich beschermd weten door de grondwettelijke vrijheden
van ons land hebben ook de plicht die grondrechten, zoals de vrijheid van
godsdienst en de vrijheid van meningsuiting, te verdedigen, ook of juist in
de eerste plaats voor de ander. In dit kader wordt de ontwikkeling van een
Handvest van verantwoordelijk burgerschap ter hand genomen. De grondwaarden
van onze samenleving zullen alleen vitaal blijven indien zij daadwerkelijk
worden beleefd en verdedigd in het handelen van ieder in het maatschappelijke
verkeer. Dat vergt een publiek debat. Politici mogen en moeten in dat debat
stelling nemen.
7. In het kader van integratie is een Nederlandse imamopleiding van groot
belang.
8. Discriminatie is strafbaar, grievend en kwetsend, belemmert het proces van
integratie en emancipatie van nieuwkomers in onze samenleving en zet de
verhoudingen tussen bevolkingsgroepen op scherp. De aanpak van discriminatie
zal de komende jaren een speerpunt zijn.
9. Het tegengaan van uitsluiting op de arbeidsmarkt bij stage- en
arbeidsplaatsen krijgt prioriteit en behoort ook bij bedrijven boven aan de
agenda te staan. De inzet is om gezamenlijke doelstellingen te formuleren
waarop betrokken partijen elkaar kunnen aanspreken. De overheid geeft het
goede voorbeeld bij het nastreven van een in dit opzicht evenwichtig
personeelsbeleid. Aan opsporing en vervolging van discriminatie in de
praktijk, bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt of in het uitgaansleven, wordt
zichtbaar meer aandacht gegeven. De politie zal aangiften van discriminatie
altijd opnemen.
10. Maatschappelijke betrokkenheid zal zoveel mogelijk worden gestimuleerd.
Er zal nog meer ruimte gegeven worden aan maatschappelijke verbanden,
particulier initiatief en aan vrijwilligerswerk. Ook breedtesport is een
bindende factor in de samenleving. Daarin komen gezondheid, veiligheid,
overdracht van waarden en normen, integratie en maatschappelijke binding
bijeen. Vanwege deze grote maatschappelijke waarde verdient sport actieve
ondersteuning vanuit de overheid; er komen meer middelen daarvoor
beschikbaar.
Het gezin is van grote waarde. In het gezin worden kinderen opgevoed,
wordt geborgenheid geboden en worden essentiële waarden en normen voorgeleefd
en overgedragen aan volgende generaties. Ouders moeten daar voldoende tijd,
middelen en vaardigheden voor hebben. Er zal een gezinsvriendelijk beleid
worden gevoerd dat erop gericht is dat te bevorderen.
1. Er komt met ingang van 2008 een inkomensafhankelijk kindgebonden budget,
waarin de huidige kindertoeslag opgaat en waaraan gefaseerd additioneel
budget zal worden toegevoegd.
2. Er komt een nader vorm te geven financiële ondersteuning voor
alleenverdieners-huishoudens die de zorg hebben voor chronisch zieke of
gehandicapte kinderen of pleegkinderen.
3. Arbeid en zorg, werken en opvoeden, moeten voor ouders goed te combineren
zijn. In het spitsuur van het leven moet een time-out mogelijk zijn. De
levensloopregeling dient mede dit doel. Het wettelijke recht op
ouderschapsverlof wordt verlengd van 13 naar 26 weken per werknemer en is
niet overdraagbaar. De levensloopregeling wordt hierop aangepast.
4. De sollicitatieplicht voor alleenstaande bijstandsgerechtigde ouders met
kinderen tot 5 jaar wordt geschrapt. De maximale vrijstellingsperiode voor de
sollicitatieplicht is 6 jaar. Er komt een scholingsplicht voor deze groep
alleenstaande ouders, teneinde na de vrijstelling een baan te vinden. Er zal
een regeling komen die werken in deeltijd voor sollicitatieplichtige
alleenstaande ouders met kinderen financieel aantrekkelijk maakt.
5. De mogelijkheid van een uitkeringsregeling voor zwangerschapsverlof voor
zelfstandigen en meewerkende partners zal worden bezien.
6. Samen leven begint met samen spelen. De regelgeving ten aanzien van
kinderopvang, peuterspeelzalen en voor- en vroegschoolse educatie, waaronder
de financiële tegemoetkoming aan ouders, wordt geharmoniseerd. Belangrijkste
oogmerken zijn het tegengaan van segregatie in de
kinderopvang/peuterspeelzalen, het verhogen van de kwaliteit en het
verbeteren van de aansluiting op het eerste jaar van de basisschool. Scholen
behouden de mogelijkheid een 0-groep aan te bieden. Op deze manier ontstaat
een sluitend systeem van voorzieningen waarbinnen taalachterstanden bij
kinderen vroegtijdig kunnen worden onderkend en aangepakt.
7. De totstandkoming van Centra voor Jeugd en Gezin waar zoveel mogelijk
medische, sociale en educatieve ondersteuning voor ouders en hun kinderen
wordt georganiseerd, zal met kracht ter hand worden genomen. Te denken valt
in ieder geval aan het consultatiebureau, opvoedingsondersteuning en
gezinscoaching. De organisatie
van de jeugdzorg wordt vereenvoudigd en binnen de rijksoverheid 'ontkokerd'.
De wachtlijsten zullen worden weggewerkt en de case load voor gezinsvoogden
wordt verder verlaagd.
8. Kinderen uit gezinnen met problemen moeten sneller onder toezicht kunnen
worden gesteld. Wetgeving zal aan de Kamer worden voorgelegd waarmee de
kinderrechter in een fase voordat sprake is van ernstige bedreiging van de
ontwikkeling van het kind, een lichtere maatregel zoals verplichte
opvoedingsondersteuning kan opleggen. Ouders
worden wettelijk aansprakelijk voor schade die hun minderjarige kinderen
aanrichten.
9. Er zal aandacht worden gegeven aan de gevolgen van echtscheiding voor
kinderen. De behandeling van de wet bevordering voortgezet ouderschap en
zorgvuldige scheiding (30145) wordt doorgezet.
10. Jongeren zullen tijdens hun schooltijd 3 maanden maatschappelijke stage
volgen zodat ze kunnen kennismaken met de samenleving. Over de verdere
vormgeving en de uitvoeringsaspecten van de maatschappelijke stage zal nader
in overleg worden getreden met het onderwijsveld en de overige
betrokkenen.
11. Het elektronisch kinddossier wordt zo spoedig mogelijk doch uiterlijk
2009 ingevoerd.
12. Voor jongeren tot 27 jaar geldt een leer/werkplicht die bestuurlijk kan
worden gehandhaafd door middel van verplichtende begeleidingstrajecten
gericht op scholing op straffe van inhouding op een eventuele uitkering
('campus nieuwe kans').
1. Er zal een nieuwe Emancipatienota worden uitgebracht in de
kabinetsperiode.
2. De overheid spreekt werkgevers aan op hun inspanningen om meer vrouwen in
topposities te brengen.
3. Met name in het onderwijs zijn weinig vrouwen in topposities werkzaam
terwijl juist daar een grote voorbeeldwerking van uit kan gaan. Initiatieven
om het aantal vrouwen in topposities te brengen, worden ondersteund.
4. In nauw overleg met werkgevers worden maatregelen genomen om de ongewenste
uitval van vrouwen in de leeftijd 35-40 jaar tegen te gaan en hun kansen op
herintreding/re-integratie te vergroten.
5. Vrouwen verdienen nog steeds minder dan mannen. Het kabinet zet zich in om
aan deze ongelijkheid een einde te maken.
6. Als onderdeel van het homo-emancipatiebeleid wordt bijzondere aandacht
gegeven aan de bevordering van "respect voor verschil", in het bijzonder in
etnische kring. In samenspraak met betrokken organisaties zal worden gewerkt
aan gerichte maatregelen ter bestrijding van discriminatie van en geweld
tegen homo's, zowel op straat als in de sport, het onderwijs, de
(ouderen)zorg en bedrijven. Hiervoor worden voldoende middelen beschikbaar
gesteld.
Meer bouwen met kwaliteit is nodig om de doorstroming op de woningmarkt te
bevorderen, de herstructurering van oude stadswijken een impuls te geven en
ervoor te zorgen dat starters op de woningmarkt aan een betaalbare, geschikte
woning kunnen komen. Dit geldt zowel voor de koopmarkt als voor de
huurmarkt.
De straat, de wijk, de buurt zijn, buiten het directe leefverband thuis en op
het werk, de sociale gemeenschap waarin we dagelijks leven. De kwaliteit van
die leefomgeving en de wijze waarop we daarin met elkaar omgaan, bepaalt vaak
mede de wijze waarop we overigens in de samenleving staan.
Helaas zijn ook in Nederland wijken ontstaan waar door een cumulatie van
problemen en tekortkomingen de kwaliteit van die leefomgeving ernstig
achterblijft. Dat zijn wijken waarin sprake is van hoge werkloosheid en
gebrek aan werkgelegenheid, waarin schooluitval vaker voorkomt, waarin de
bevolkingssamenstelling éénzijdig is en de huisvesting verouderd, waarin de
openbare ruimte verloedert en sprake is van drugsoverlast, criminaliteit en
asociaal gedrag.
In het besef dat het de mensen zijn die wijken maken, is het onze ambitie om
samen met hen en de maatschappelijke organisaties en instellingen die in die
wijken actief zijn de noodzakelijke voorwaarden te scheppen, om die wijken
weer het been te kunnen laten bijtrekken. Een langdurige, intensieve,
samenhangende, en brede aanpak is nodig om die problemen te lijf te
gaan.
1. Vóór de zomer zal een actieplan worden opgesteld voor een brede
samenhangende "sterke wijken" aanpak die erop is gericht om binnen 8 tot 10
jaar van probleemwijken weer vitale, woon- werk- en leefomgevingen te maken
waarin schooluitval is teruggedrongen en de (jeugd)werkloosheid is
teruggebracht, werkgelegenheid in de buurt is gebracht de
bevolkingssamenstelling gevarieerd is en het prettig wonen is.
2. Woningcorporaties zijn maatschappelijke ondernemingen die een belangrijke
maatschappelijke taak vervullen: investeren in goede betaalbare huisvesting
en in de kwaliteit van de woon- en leefomgeving.
3. De inzet is om met woningcorporaties afspraken te maken over een bijdrage
aan de betaalbaarheid van huurwoningen. Investeringsinspanningen van
woningcorporaties in energie-efficiency van de bestaande voorraad woningen
kunnen een positieve bijdrage leveren aan een beheerste
woonlastenontwikkeling. Het streven is ook hierover met woningcorporaties
afspraken te maken. Met corporaties willen we bovendien afspraken maken over
het nieuwbouwprogramma en een gezamenlijke gerichte investeringsinspanning
voor de aanpak van de meest kwetsbare probleemwijken. Mocht onverhoopt met
corporaties geen overeenstemming worden bereikt over hun bijdrage aan de
betaalbaarheid en over hun investeringsinspanningen, dan zal anderszins het
omvangrijke maatschappelijk vermogen van woningcorporaties actief voor dit
doel worden ingezet.
4. De met de corporaties te maken afspraken zullen niet vrijblijvend zijn.
Dit geldt zowel voor de afspraken tussen kabinet en corporatiesector als op
lokaal niveau voor de afspraken tussen gemeenten en de woningcorporaties. Op
lokaal niveau kunnen gemeenten op basis van gemeentelijke woonvisies met
woningcorporaties concrete
prestatieafspraken maken over investeringen van corporaties.
5. Gemeenten hebben de taak coördinatie te voeren over wonen, werken,
onderwijs en jeugd- en ouderenvoorzieningen. Deze integrale samenhangende
aanpak zal vanuit het Rijk worden ondersteund met ook daar een samenhangende
interdepartementale benadering.
6. Gemeenten worden gestimuleerd zoveel mogelijk via een zogenaamde
1-loket-functie te werken, zodat mensen in wijken, dorpen en steden snel en
adequaat worden geholpen.
7. Een deel van het verruimde budget voor stedelijke vernieuwing zal worden
ingezet voor buurt- en wijkbudgetten, waaruit eigen initiatieven van bewoners
financieel kunnen worden ondersteund.
8. Deze kabinetsperiode vinden geen wijzigingen plaats in de fiscale
behandeling van de eigen woning. Er zullen ook geen wijzigingen worden
voorbereid of onderzocht voor de periode daarna.
9. Het wetsvoorstel Huurliberalisatie wordt ingetrokken. De stijging van de
huren zal worden gekoppeld aan de inflatie.
10. De woningproductie wordt verhoogd naar een niveau van tussen de 80.000 en
100.000 woningen per jaar, waarbij een belangrijke rol is weggelegd voor
woningcorporaties.
11. Om te komen tot een evenwichtige woonontwikkeling en
bevolkingssamenstelling in een samenhangend stedelijk gebied kan het
wenselijk zijn dat randgemeenten meer bouwen voor lagere en middeninkomens.
Waar dit het geval is, zal een aanwijzingsbevoegdheid worden ontwikkeld voor
die situaties waarin randgemeenten - onverhoopt - onwillig zijn.
12. Het grotestedenbeleid zal - na evaluatie - na 2009 worden voortgezet.
Hiertoe zal tijdig met de voorbereiding worden begonnen.
13. Veel ouderen willen liefst zo lang mogelijk in hun eigen wijk blijven
wonen. Dit kan door wijken generatiebestendig te maken en op wijkniveau
servicepunten voor welzijn en zorg na te streven. Ook een grotere variatie in
het woningaanbod (met name oplopende zorg) kan eraan bijdragen dat ouderen
langer in hun eigen wijk blijven wonen. Woningbouwcorporaties zullen op deze
maatschappelijke taak worden aangesproken.
Veiligheid is een kerntaak van de overheid en een basisvoorwaarde voor een samenleving waarin mensen zich vertrouwd, vrij en verbonden voelen. De criminaliteit neemt de laatste jaren af. Die trend moet worden voortgezet. Het terugdringen van het aantal geweldsdelicten is echter nog onvoldoende gelukt en verdient daarom een stevige extra investering. Nederland moet nog veiliger. De aandacht voor het tegengaan van terrorisme en radicalisering mag niet verslappen. De bestrijding van fraude, financieel-economische en georganiseerde criminaliteit en cybercrime wordt geïntensiveerd. Daarnaast is veel aandacht nodig voor het voorkomen van crimineel gedrag. De reclassering en het jeugdwerk hebben daarbij een rol in de voorhoede. Daarin zal dan ook extra worden geïnvesteerd.
Een veilige samenleving is niet alleen een kwestie van duidelijke regels en goede handhaving. Een respectvolle omgang van mensen met elkaar en fatsoen in het maatschappelijk verkeer zijn onmisbaar voor een veilig klimaat.
1. Er komt een nieuw veiligheidsprogramma met als doelstelling 25% minder
criminaliteit in 2008-2010 ten opzichte van 2003. Het functioneren van
politie en OM wordt versterkt; er wordt optimaal gebruik gemaakt van nieuwe
technologie om het ophelderingspercentage te verbeteren. Knelpunten worden
weggenomen en er komen geen nieuwe belemmeringen, procedures of beperkingen.
De hervormingen in het gevangeniswezen worden voortgezet gericht op
differentiatie. Daarbij zal extra aandacht zijn voor het draagvlak voor
arbeid - ook voor kortgestraften -, voor behandeling en voor (na-)zorg. De
recidive wordt verder teruggebracht door herinvoering van voorwaardelijke
invrijheidstelling en gerichte begeleiding en nazorg.
2. Veiligheid moet landelijk verzekerd en lokaal ingebed zijn; zij moet
aanwezig zijn in wijk en buurt, in dorp en landelijke kern. De samenwerking
en het gemeenschappelijk functioneren van politiekorpsen moeten worden
verbeterd. Het wetsvoorstel tot versterking van rijksbevoegdheden wordt zo
snel mogelijk ingevoerd. Er dient een geïntegreerd politie-informatiesysteem
en ICT-netwerk te komen, evenals specialisatie tussen korpsen en
gemeenschappelijk beleid voor materiaal en personeel, en beheer. De
financiering van geïntegreerde en gemeenschappelijke taken kan centraal
geschieden. De aanwijzingsbevoegdheid van de ministers van BZK en Justitie
wordt vereenvoudigd. De behandeling van het wetsvoorstel tot invoering van
een landelijke politieorganisatie wordt opgeschort. Indien met samenwerking
onvoldoende voortgang en resultaat wordt behaald, wordt de behandeling,
herijkt op basis van de dan ontstane situatie, voortgezet. Het kabinet
beslist daar voor eind 2008 over.
3. Veiligheid begint bij preventie. De overheid dient burgers, jeugd,
scholen, bedrijven, publieke diensten en instellingen aan te spreken op hun
bijdrage daaraan. Wijkinitiatieven ter bestrijding van onveiligheid en
vermindering van overlast worden ondersteund. Samen met scholen wordt gewerkt
aan een klimaat van veiligheid. Preventie en het voorkomen van witwassen van
'criminele middelen' (BIBOB) vormen een onderdeel van het integraal
veiligheidsbeleid van gemeenten. Recidive wordt teruggedrongen door de
voorwaardelijke invrijheidstelling, versterking van het reclasseringstoezicht
en nazorg door gemeenten en particuliere organisaties. Er wordt een plan
vastgesteld waarin beleid, initiatieven en maatregelen op het terrein van
preventie in het kader van een project worden gerealiseerd.
4. De realisatie van de veiligheidsregio's wordt voortgezet. Bij de
inrichting daarvan wordt zorg gedragen voor voldoende (lokale) democratische
legitimatie. Er komt geen wettelijke verplichting voor lokale
brandweerkorpsen om zich te regionaliseren. De meldkamer is een publieke
verantwoordelijkheid.
5. Het integraal veiligheidsbeleid van gemeenten wordt verder uitgebouwd. In
het kader van de eerder genoemde 'sterke' wijkaanpak zal de inzet op 'elke
buurt zijn buurtagent' worden voortgezet en zal worden bezien hoe de burgers
in hun buurt verder te betrekken zijn bij het verbeteren van veiligheid,
bijvoorbeeld via 'veiligheidsbuurt-budgetten' of door meer inspraak te
organiseren bij het bepalen van de prioriteiten. Ten behoeve van de
veiligheid zullen gemeentelijke toezichthouders de bevoegdheid krijgen boetes
wegens overlast in de openbare ruimte uit te delen. De politiesterkte in het
landelijk gebied wordt waar nodig versterkt. In de prestatieafspraken met de
politiekorpsen komt meer ruimte en aandacht voor preventie en zal meer accent
worden gelegd op de kwaliteit dan op de kwantiteit.
6. Ter bescherming van de openbare orde en veiligheid kan gelaatsbedekkende
kleding worden verboden.
7. Terrorismebestrijding en het voorkomen van radicalisering zijn een
voortdurend punt van aandacht. De Minister van Justitie is verantwoordelijk
voor terrorismebestrijding en heeft daartoe doorzettingsmacht. De daartoe
benodigde wetgeving zal zo spoedig mogelijk worden ingediend en
doorgevoerd.
8. Teneinde radicaliserende boodschappen en voorlichting over de middelen van
terreur te bestrijden, wordt voorzien in de mogelijkheid om het doorgeven van
boodschappen door 'internet-providers' te verbieden.
9. De handhaving van de rechtsorde en van gestelde regels is een eerste
voorwaarde voor maatschappelijke integratie en ontwikkeling. Gedogen is geen
handhaving en bestaand gedoogbeleid wordt zoveel mogelijk geëlimineerd of
teruggedrongen. Verdere verkokering en versnippering van de handhaving wordt
tegengegaan; integraal gemeentelijk veiligheidsbeleid en systematische
handhaving door het bestuur worden bevorderd. Bij alle maatregelen
verantwoordt de overheid de gevolgen voor de privacy van burgers.
10. De bestrijding van de productie van en de handel in drugs wordt evenals
de bestrijding van drugsoverlast onverminderd voortgezet. Het wetsvoorstel
tot sluiting van woningen bij illegale drugsverkoop wordt met spoed
doorgezet. Ten aanzien van jongeren wordt een krachtig preventiebeleid
gevoerd. Coffeeshops bij scholen worden gesloten en coffeeshops in de
grensstreek worden tegengegaan. De bestrijding van grootschalige wietteelt
wordt geïntensiveerd; er komen geen experimenten en er wordt nauw
samengewerkt met buurlanden in het grensgebied. Coffeeshops die zich niet
houden aan de AHOJ-G criteria worden zonder pardon gesloten.
11. De aanpak van de groeiende jeugdcriminaliteit vergt een bijzondere inzet
('lik op stuk' aanpak, uitbreiding sancties en gerichte aanpak risicogroepen,
preventie door opvoedingsondersteuning, coaching, het voorkomen van
schooluitval en het kordaat reageren op spijbelen).
12. De aanpak van criminaliteit en overlastgevend gedrag heeft prioriteit.
Een helder en doeltreffend beleid is gebaat bij de stroomlijning van alle
(strafrechtelijke) maatregelen om gedrag te beïnvloeden (zoals
voorwaardelijke veroordeling, voorwaardelijke sepots en burgermeesterlijk
bevel) volgens het Doe-Normaal model.
13. 'Burgernet' wordt landelijk uitgerold.
14. De "plukze"-wetgeving wordt aangepast opdat het beslagleggen op winsten
uit criminele activiteiten wordt vereenvoudigd en opdat deze wetgeving ook
gaat gelden voor kleine vergrijpen.
15. De aanpak van huiselijk geweld en van eergerelateerde misdrijven zal
krachtig worden voortgezet en de opvang van slachtoffers en van hun kinderen
zal worden verbeterd.
16. De prostitutiebranche is nog steeds -ondanks de legalisering- een
'broeinest' van zwartwerken, vrouwenhandel, witwassen en andere vormen van
illegaliteit en criminaliteit. Dit dient met kracht bestreden te worden, maar
het huidige instrumentarium schiet daarvoor tekort. Dus is de noodzaak aan de
orde van een robuustere controle en handhaving, transparantie, en het creëren
van meer persoonlijke aansprakelijkheid (met inbegrip van aanpak van klanten
van minderjarige en van illegale prostituees); waar nodig met nieuwe middelen
en gewijzigde wetgeving. Slachtoffers en vrouwen die uit de branche willen
stappen krijgen extra aandacht, bescherming en nazorg. Aan gemeenten zal een
ruimere vrijheid worden gegeven om in hun beleid ter zake van ruimtelijke
ordening rekening te houden met bestaande bordelen, ook in de regio waarin de
betrokken gemeente ligt (inclusief de "nuloptie").
17. De positie van slachtoffers in het strafproces wordt versterkt. Hulp aan
slachtoffers van ernstige geweldsmisdrijven wordt geïntensiveerd, waarbij er
extra aandacht komt voor opvang van slachtoffers van huiselijk en
eergerelateerd geweld. De ondersteuning bij inning van schadevergoeding aan
slachtoffers van daders die door de rechter zijn veroordeeld wordt
verbeterd.
18. Nederland werkt mee aan de versterking van executieve samenwerking van
politie en justitie, en op het gebied van migratie in Europa.
Een waardevolle democratie, een verbindend bestuur en een dienende
overheid zijn voorwaarden voor een duurzame ontwikkeling van onze
samenleving.
Een waardevolle democratie betekent dat de representatieve democratie zoals
we die in de Nederlandse traditie kennen, in ons bestuur centraal blijft
staan.
Een verbindend bestuur werkt in dialoog met burgers en organisaties en met de
verschillende overheden, ook binnen het verband van het Koninkrijk.
Een dienende overheid is een overheid die burgers centraal stelt. Minder
regels en bureaucratische lasten en een heldere handhaving zijn daarbij
nodig, evenals een hoge kwaliteit van publieke voorzieningen.
De overheid laat burgers ruimte om initiatief te nemen en rust hen toe om voluit mee te doen. Vertrouwen ligt aan de basis van een goed functionerende overheid. De overheid schenkt vertrouwen aan burgers en aan professionals en uitvoerders in de publieke sector, wier vakkennis van cruciaal belang is. De overheid verdient vertrouwen door een goede dienstverlening, dialoog met de burgers en een goed evenwicht tussen zorgvuldigheid en slagvaardigheid. Invoering van de maatschappelijke onderneming draagt bij aan een vernieuwing van publieke taken en diensten.
1. 'Bestuurlijke drukte' wordt verminderd en het effectieve optreden van
de overheid als geheel wordt bevorderd door het aantal bestuurslagen dat zich
met een bepaald onderwerp bemoeit, stelselmatig te verminderen, zonder de
Grondwettelijk verankerde bestuurlijke inrichting te veranderen.
Sleutelwoorden in deze aanpak zijn differentiatie en maatwerk.
a. Differentiatie in taken, bevoegdheden en bestuurlijke inrichting van
gemeenten en provincies wordt in de Gemeentewet en in de Provinciewet
mogelijk gemaakt.
b. Enkele nader te bepalen (beleids)terreinen worden zo ingericht dat
(maximaal) twee bestuurlijke niveaus betrokken zijn: het niveau dat beleid
vormt en de taak uitvoert, en maximaal één niveau dat coördineert resp.
toezicht uitoefent. Daarna wordt bezien of een dergelijke bestuurlijke
inrichting naar meer terreinen kan worden uitgebreid.
2. Herindeling van gemeenten vindt plaats indien daarvoor voldoende lokaal
draagvlak bestaat. De verantwoordelijkheid voor de toetsing daarvan berust
bij het provinciebestuur; de wetgever toetst de voorstellen in principe
uitsluitend op het gevolgde proces.
3. Decentralisatie van taken en bevoegdheden naar en zelfstandigheid van
provincies en gemeenten wordt met kracht bevorderd, uit te werken in twee
bestuursakkoorden, waarin afspraken worden gemaakt over de bijdragen van
provincies resp. gemeenten aan oplossing van maatschappelijke vraagstukken.
In dit kader wordt de helft van het aantal doeluitkeringen omgezet in een
generieke bijdrage aan de gemeenten en door een nader in te vullen
decentralisatie-impuls met budgetoverheveling en/of met verruiming van het
lokale belastinggebied inclusief, bij invoering, voor de burgers
compenserende beperking van de rijksbelastingen. In deze bestuursakkoorden
worden ook afspraken gemaakt over vermindering van de provinciale en
gemeentelijke administratieve lasten voor burgers en bedrijven van minimaal
25%.
4. Het kabinet stelt in samenspraak met betrokken provincies en gemeenten een
urgentieprogramma op voor de Randstad (Randstadoffensief), waarmee
vermindering van bestuurslast, meer bereikbaarheid, een beter woon- , werk-
en leefklimaat en versterking van kennis en innovatie worden bevorderd. Één
minister krijgt voor dit project de coördinatie.
5. Bij de invulling van overheidszorg en publieke voorzieningen wordt zoveel
mogelijk ruimte gelaten voor maatschappelijke betrokkenheid en eigen
initiatief. In dat kader wordt de rechtsvorm van een maatschappelijke
onderneming ingevoerd.
6. In het wetgevingsbeleid wordt nader invulling gegeven aan vertrouwen in
burgers, en aan het functioneren van publieke voorzieningen om ruimte te
geven voor vernieuwing en kwaliteitszorg.
7. Een andere wijze van regelgeven, van toezicht en controle, en een meer
geïntegreerde en meer projectmatige wijze van beleidsvorming wordt
nagestreefd. Dit is tevens een noodzakelijke voorwaarde om minder
'bureaucratische' drukte op rijksniveau te bewerkstelligen. Daardoor kan het
aantal, de omvang en de gelaagdheid van primair de beleidsstaven op
ministeries worden verminderd via 'normering', gerichte afslanking en
flexibilisering (door alle ambtenaren in dienst van het rijk te
benoemen).
8. Ten aanzien van de Grondwet, waarvan de laatste algehele herziening 25
jaar geleden van kracht is geworden, wordt door een staatscommissie advies
uitgebracht over onder meer (niet limitatief) de voor- en nadelen van een
preambule, de toegankelijkheid voor burgers, en de verhouding tussen de
opgenomen grondrechten en de uit internationale verdragen voortvloeiende
rechten, zoals het recht op eerlijke procesgang (fair trial) en het recht op
leven.
9. De benoeming van burgemeesters en Commissarissen van de Koningin geschiedt
op bindende voordracht van de gemeenteraad respectievelijk provinciale
staten, op basis van een wettelijke taakomschrijving en een ambtsinstructie
van de regering. De Kroon behoudt het recht om een voordracht om zwaarwegende
redenen te weigeren.
10. Het kabinet zal het onderdeel van wetsvoorstel 30 902 dat betrekking
heeft op het aantal leden van de gemeenteraad, intrekken.
11. Overeenkomstig het destijds geformuleerde beleid brengt zorgvuldige
omgang met gewetensbezwaarde ambtenaren van de burgerlijke stand met zich dat
in onderling overleg in plaats van de gewetensbezwaarde een andere ambtenaar
van de burgerlijke stand een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht
voltrekt, mits in elke gemeente de voltrekking van een dergelijk huwelijk
mogelijk blijft. Mochten er in de gemeentelijke praktijk problemen ontstaan,
dan zullen initiatieven worden genomen om de rechtszekerheid van
gewetensbezwaarde ambtenaren veilig te stellen.
12. De bestuurlijke herinrichting van de Nederlandse Antillen (en
bijbehorend toezicht) en de daaruit voortvloeiende verdieping van de
samenwerking (rechtshandhaving, goed bestuur, sociale voorzieningen,
onderwijs en Nederlandse taal, overheidsfinanciën) zal worden vormgegeven op
basis van de afspraken van de Start-RTC van november 2005 en van de
bestuurlijke akkoorden uit het najaar van 2006. Met Aruba zullen
overeenkomstige afspraken worden nagestreefd.
13. In aansluiting op de bestuurlijke herinrichting van de Nederlandse
Antillen zal het personenverkeer binnen het Koninkrijk geregeld worden. De
inburgering van Antilliaanse en Arubaanse Nederlanders zal in de wet worden
opgenomen. In dat kader zullen er nadere afspraken komen met de Nederlandse
Antillen onder andere met
betrekking tot de handhaving van de sociale vormingsplicht op de Nederlandse
Antillen ten einde de problemen van en met Antilliaanse probleemjongeren aan
te pakken.
14. De territoriale integriteit van het Koninkrijk wordt onverkort
gehandhaafd.
1. Kunst en cultuur verbinden mensen, laten nieuwe inspirerende
perspectieven zien, kunnen ontroeren en verwonderen en ons een spiegel
voorhouden. Cultuurbeleid draagt bij aan sociale samenhang en aan een vitale
economie. Een rijk cultureel leven is een bron van creativiteit en versterkt
het internationale vestigingsklimaat.
Het is essentieel bij het creëren van trots en gemeenschapsgevoel in onze
samenleving. Daarom is het van belang om in ons Koninkrijk een divers
kunstaanbod te hebben en een divers publiek te bereiken.
2. Cultuurparticipatie zal actief worden gestimuleerd. Er zal speciale
aandacht worden besteed aan de vraag hoe een breder en meer divers publiek,
waaronder jongeren en allochtonen, in aanraking kan komen met het
cultuuraanbod, in het bijzonder musea.
3. Cultuureducatie blijft de komende jaren een prominente plaats innemen in
het onderwijs- en kunstbeleid. Zij brengt jongeren in contact met
onderliggende waarden in de samenleving, historische lijnen en leert ze om
kunst te waarderen en te beoordelen.
4. Amateurkunst en volkscultuur worden gestimuleerd. De overheid draagt
daadwerkelijk zorg voor behoud van (religieus-)cultureel erfgoed. De
uitwerking van de BRIM-regeling (Besluit Rijkssubsidiëring Instandhouding
Monumenten) wordt in dit licht geëvalueerd.
5. De overheid bevordert het eenvoudig en zorgvuldig gebruik van het
Nederlands als bestuurstaal en cultuur- en omgangstaal en legt daartoe het
Nederlands vast in de Grondwet, onverminderd de wettelijke erkenning van (het
gebruik van) de Friese taal.
1. Het belang van een vrije, pluriforme, toegankelijke en kwalitatief
hoogwaardige publieke omroep kan niet genoeg worden benadrukt. Op korte
termijn zal een wetsvoorstel worden ingediend waarin de hoofd- en neventaken
toekomstgericht worden herijkt op basis van de navolgende
uitgangspunten.
2. De Raad van Bestuur is verantwoordelijk voor beleid, voor een evenredige
en evenwichtige programmering en voor coördinatie van niet vrijblijvende
samenwerking tussen en met de zelfstandige omroepen op de verschillende
zenders. Voor de samenhang bij het programmeren vanuit de diverse platforms
is het kijk- en luistergedrag van het publiek en de daaruit voortvloeiende
netprofilering, en een evenwichtige verdeling van de zendtijd leidend.
Omroepverenigingen blijven zelfstandige autonome organisaties die
verantwoordelijk zijn voor de eigen programma-
inhoud met de daarbij behorende budgetten.
3. Nieuwe toetreders worden erkend en beoordeeld aan de hand van criteria als
maatschappelijk draagvlak dat onder meer wordt uitgedrukt in ledental,
bijdrage aan kwaliteit en duurzame externe pluriformiteit van de publieke
omroep als geheel en het bereik onder relevante doelgroepen.
4. De zojuist verlengde erkenning van de huidige omroepverenigingen en de
concessie voor de publieke omroep (met drie tv-zenders, vijf radiozenders en
bijbehorende nieuwe media-activiteiten) blijven in stand. In 2010 zal de
concessie voor een periode van vijf jaar worden verlengd.
5. Er wordt een financiële buffer gecreëerd om de publieke omroep minder
afhankelijk te laten zijn van fluctuaties in reclame inkomsten.
6. Media-aanbieders en andere belangstellenden zullen worden gestimuleerd een
gedragscode voor een veilig media-aanbod te hanteren. Er komt een
media-educatie en expertisecentrum om kinderen en jongeren, hun ouders en
scholen te ondersteunen in het leren omgaan met de veelheid van
media-uitingen.
7. Het wetsvoorstel over de organisatie en uitvoering van de publieke
mediaopdracht (Mediawet, 30571) wordt ingetrokken.
In onderzoeken komt steeds weer naar voren dat mensen hun gezondheid het
allerbelangrijkste vinden. Niemand wil ziek of hulpbehoevend zijn. Iedereen
wil zekerheid dat er in geval van ziekte of ouderdom zorg beschikbaar is.
Betaalbaar, toegankelijk en van hoge kwaliteit.
De afgelopen jaren heeft de zorgwereld een aantal grote veranderingen
meegemaakt met name door de introductie van de nieuwe basisverzekering en het
begin van de WMO. Van zowel burgers en patiënten als van de werknemers en
professionals in de zorg heeft dat veel aanpassingsvermogen gevraagd. Daarom
willen wij de komende jaren vooral investeren in draagvlak bij patiënten en
professionals om samen te werken aan het bestrijden van onnodige
bureaucratie, het vergroten van het plezier in werken in de zorg en de
ontwikkeling richting 'best practices'.
1. Voorkomen is beter dan genezen. De beste garantie voor beheersing van
de zorgkosten vormt een effectief preventiebeleid. Effectief betekent vooral:
lagere gezondheidskosten en minder grote verschillen in levensverwachting op
basis van sociaal economische achtergronden.
2. Met alle betrokken partijen zullen afspraken en doelstellingen over
preventie worden vastgesteld. In dat kader kan aan de orde komen het
ontwikkelen van nieuwe verzekeringsvormen waarin het ondersteunen van een
gezonde leefstijl, voorzorg en preventie een plaats krijgen. In dit kader
wordt nagegaan of het zinvol is het voor verzekeraars mogelijk te maken om
langdurige contracten aan te bieden.
3. Ook scholen en de Centra voor Jeugd en Gezin kunnen een voorname rol
spelen in het preventiebeleid. In dit licht worden nadere afspraken gemaakt
over opvoedingsondersteuning, voedingsvoorlichting, gymnastiek- en
zwemlessen, stimulering van sportbeoefening en verkoop van snacks en
zoetwaren op school.
4. In samenspraak met de branche zal worden toegewerkt naar een rookvrije
horeca in deze kabinetsperiode.
5. Het bestaande ontmoedigingsbeleid ten aanzien van drugs, alcohol en tabak
wordt voortgezet. Er komt een verbod op reclame voor alcohol op radio en
televisie tot 21.00 uur. De controle op de handhaving van de leeftijdsgrens
bij verkoop van alcohol wordt verscherpt.
6. Hoogwaardige verslavingszorg is mede gericht op arbeidsrehabilitatie en
re-integratie, evenals experimenten met meer verplichtende vormen van
afkicken.
7. De financiering van medicinale verstrekking van heroïne wordt voor de
thans participerende steden ook na 2007 voortgezet.
8. De no-claim wordt per 1.1.08 afgeschaft.
9. Het basispakket wordt met pil en jaarlijkse periodieke tandartscontrole
voor volwassenen verruimd, en het aantal kraamuren wordt uitgebreid.
10. Er zal een nieuw systeem van eigen betalingen worden ingevoerd ter
vervanging van de no-claim. Omdat chronisch zieken en gehandicapten in dezen
geen vrije keuze hebben, worden zij hiervan uitgezonderd.
11. De tegemoetkoming van de TBU wordt overgeheveld naar de WMO. De WMO zal
meer worden toegespitst op voorzieningen voor chronisch zieken en
gehandicapten.
12. Voor verhoging van de zorgtoeslag worden extra middelen beschikbaar
gesteld.
13. Het systeem van nominale premie en inkomensafhankelijke zorgtoeslag in de
zorgverzekering blijft gehandhaafd.
14. Het saldo van nominale premie en inkomensafhankelijke zorgtoeslag is
inkomensafhankelijk. De mogelijkheden om dit bedrag ineens in rekening
gebracht te krijgen (in plaats van een aparte rekening voor de premie en een
aparte storting van de zorgtoeslag) zullen worden verruimd. Dit kan door - op
basis van vrijwillige keuze van de verzekerde - de zorgtoeslag al bij de
zorgverzekeraar met de nominale premie te verrekenen. Hierover zullen met
verzekeraars afspraken worden gemaakt.
15. Bovenstaande geschiedt mede met het oog op het terugdringen van het
aantal onverzekerden en wanbetalers.
16. De ruimte voor vrije prijsvorming in de ziekenhuizen (cure) is thans
10% in de planbare zorg. In 2007 wordt besloten tot een tweede stap naar 20%
in 2008, wederom in de planbare zorg. Verdere stappen met vrije prijsvorming
in de planbare zorg zijn alleen mogelijk na zorgvuldige evaluatie van
voorafgaande stappen op basis van kwaliteit en toegankelijkheid. De
onafhankelijke Zorgautoriteit kan bij de beoordeling hiervan een belangrijke
rol spelen.
17. Op korte termijn zullen de betrokken partijen een gezamenlijk plan om het
DBC-stelsel te vereenvoudigen uitvoeren.
18. Voor het niet vrijgegeven deel van de ziekenhuiszorg dat zich leent voor
onderhandelingen over de DBC-prijzen zal in de tussentijd - om een betere
prijs -kwaliteitverhouding en efficiënter werken uit te lokken - het
instrument van maatstafconcurrentie worden gehanteerd.
19. Een aantal andere maatregelen zal tevens getroffen worden teneinde de
kostenontwikkeling in de cure te beheersen en ontwikkeling richting best
practices te stimuleren. De DBC-prijzen in het planbare deel van de
ziekenhuiszorg, zullen betrekking hebben op alle kosten die in het ziekenhuis
gemaakt worden, inclusief de
kapitaalkosten. Ziekenhuizen kunnen dan ook vrij beslissen over investeringen
en gaan daarmee financieel risico lopen over de betreffende kosten van
kapitaal. Het tempo waarin ziekenhuizen daadwerkelijk steeds meer financieel
risico gaan lopen, wordt afgestemd op de initiële herverdelingseffecten van
de overgang naar een andere
bekostiging.
20. De risicodragendheid van verzekeraars voor de uitgaven aan ziekenhuiszorg
wordt vergroot. De systematiek van de nacalculatie zal daarop worden
aangepast.
21. De kostenbesparingen die uit bovenstaande voortvloeien, worden aan de
burgers teruggegeven door middel van premieverlaging.
22. De toepassing van ICT wordt met urgentie bevorderd. Nadruk ligt op een
spoedige introductie van het elektronisch patiëntendossier, uiterlijk in te
voeren 2009, en het elektronisch medicatiedossier.
23. Er komen extra middelen beschikbaar voor de verpleeghuiszorg.
24. De AWBZ-zorg (met name verpleeghuizen, ouderenzorg, gehandicaptenzorg)
leent zich naar haar aard niet voor vrije prijsvorming en commerciële
concurrentie.
25. Wel is het hard nodig om langs velerlei wegen te blijven streven naar een
lagere werkdruk, minder bureaucratie, een grotere doelmatigheid en een
sterkere positie van de zorgconsument. Met het oog daarop worden de volgende
ontwikkelingen bevorderd:
26. Het kabinet zal in dialoog met het veld de ontwikkeling van nieuwe
concepten in de care onderzoeken, bevorderen en belonen. Sleutelwoorden zijn
daarbij kleinschaligheid, inbedding in wijken en buurten,
ontbureaucratisering en ruimte voor de professional.
27. In het licht van de noodzaak en wenselijkheid verder in te spelen op de
toenemende diversiteit van woon- en zorgbehoeften, met name bij ouderen, zal
het financieel scheiden van wonen en zorg verder worden bevorderd.
28. Eventuele hieruit voortvloeiende kostenbesparingen worden voor de helft
teruggegeven in lagere premies en voor de andere helft geherinvesteerd in de
zorg.
29. Er zal ruimte worden geboden voor ondernemerschap en privaat kapitaal,
bij voorkeur langs de weg van de maatschappelijke onderneming. Nieuwe
toetreders moeten niet onnodig worden belemmerd. Toetsing vindt primair
plaats op basis van kwaliteit en toegankelijkheid.
30.Vooralsnog zullen geen verdere stappen worden gezet in het traject van WMO
en AWBZ. De WMO moet gemeenten de mogelijkheid bieden om met een
maatwerkbenadering maatschappelijke participatie van burgers te stimuleren in
combinatie met het bieden van specifieke hulp.
31. In de periode 2008-2011 wordt ook een aantal maatregelen getroffen die op
termijn tot verdere kostenbesparingen in de zorg (cure en care) zullen
leiden. Deze zullen deels ten goede komen aan de kwaliteit van de zorg, deels
worden teruggegeven aan burgers door middel van lagere premies.
32. In het licht van de evaluatie van de Wet Afbreking Zwangerschap wordt
vastgehouden aan handhaving van de wettelijke zorgvuldigheidsnormen, waaraan
een evenwicht ten grondslag ligt tussen de rechtsbescherming waarop ongeboren
menselijk leven aanspraak heeft en het recht van de vrouw op een passende, op
elk individueel geval afgestemde hulpverlening bij een door haar ongewenste
zwangerschap (memorie van toelichting). De overtijdbehandeling komt onder de
WAZ te vallen. De vaste beraadtermijn van vijf dagen blijft gehandhaafd, maar
wordt variabel voor de overtijdbehandeling (tot en met de 16e dag). In
samenwerking met de betrokken beroepsgroepen en organisaties zal -conform de
aanbeveling van de evaluatiecommissie - worden gewerkt aan verdere
protocollering van het besluitvormingsproces, zal er via (anonieme)
registratie in de komende kabinetsperiode vervolgonderzoek worden gedaan naar
de aard van de noodsituatie en wordt onderzoek gestart naar de psychosociale
gevolgen van abortus-provocatus.
33. Het kabinet zal met een samenhangend pakket van positieve maatregelen
komen, gericht op het bieden van alternatieven voor afbreking van de
zwangerschap; gedacht kan worden aan verruiming van adoptiemogelijkheden,
hulpverlening en begeleiding, en ondersteuning van initiatieven gericht op
opvang van ongewenst zwangere tieners.
34. Goede seksuele voorlichting is van belang om ongewenste zwangerschappen
te voorkomen. Ouders dragen daarvoor verantwoordelijkheid, maar ook scholen
mogen gevraagd worden daaraan een bijdrage te leveren. Bijzondere aandacht
zal worden gegeven aan voorlichting aan doelgroepen zoals zowel allochtone
vrouwen en meisjes als allochtone mannen en jongens.
35. In deze kabinetsperiode zal met betrekking tot levensbeëindiging op
verzoek niet worden overgegaan tot wijziging van de regelgeving of het
toestaan van experimenten (bijv. de pil van Drion). Er zal worden
geïnvesteerd in verbetering en (financiële) versterking van de palliatieve
zorg, zowel in de opleiding als in de zorgverlening in verpleeghuizen,
hospices en thuis. Ondersteuning van vrijwilligers is van belang.
36. Het - perspectiefrijke - onderzoek naar behandelingsmogelijkheden met
gebruikmaking van (volwassen) lichaamsstamcellen wordt krachtig gestimuleerd.
Tijdens de komende kabinetsperiode zal het verbod op het speciaal tot stand
brengen en gebruiken van embryo's voor wetenschappelijk onderzoek en andere
doeleinden dan het tot stand brengen van zwangerschap, worden
gehandhaafd.
1. Uitgangspunt is een rechtvaardig en humanitair asielbeleid en een
effectieve uitvoering (inclusief terugkeer) van de Vreemdelingenwet
2000.
2. De procedure toelating van de nieuwe Vreemdelingenwet wordt verbeterd
(mede in het licht van de aanbevelingen van de commissie Scheltema) en
versneld en daarbij wordt in het bijzonder de regeling van de
48-uursprocedure verbeterd zodat deze zonodig verlengd kan worden om
vertraging te voorkomen.
3. Er zal op korte termijn een studie over het zoveel mogelijk beperken van
herhaalde asielaanvragen worden verricht. Daarbij wordt de mogelijkheid
verkend dat later ingetreden beletselen op grond van artikel 3 EVRM en andere
niet verwijtbare omstandigheden zonder herhaalde aanvraag in het kader van
een lopende procedure kunnen worden beoordeeld.
4. Voor het verkrijgen van het Nederlanderschap op de Nederlandse Antillen en
in Aruba is ook kennis van de Nederlandse taal een vereiste.
5. Het quotum voor zogenoemde uitgenodigde vluchtelingen zal na 2007 eveneens
worden vastgesteld op 500 personen per jaar gemiddeld. Het kabinet zal
bevorderen dat het quotum ten volle wordt benut.
6. Om op korte termijn de nalatenschap van de oude Vreemdelingenwet af te
wikkelen komt er een regeling in het kader waarvan ambtshalve een
verblijfvergunning wordt verleend aan personen die aan de volgende objectieve
criteria voldoen:
a. een eerste asielaanvrage ingediend voor 1 april 2001;
b. ten aanzien van wie geen contractindicaties om reden van criminaliteit
(criteria voor ongewenst verklaring) of oorlogsmisdrijven bestaan;
c. voor 13 december 2006 in opvang van het project terugkeer verkeerden
(oorspronkelijk project en zij-instroom) en alsnog in procedure waren
verwikkeld onderscheidenlijk nog niet waren uitgestroomd, dan wel;
d. op dat moment Nederland niet verlaten hadden of daaruit verwijderd waren
en blijkens een uitdrukkelijke verklaring van de burgemeester van een
gemeente daar bekend waren en aantoonbaar sinds begin 2006 verbleven in het
kader van noodopvang (zoals gedefinieerd in het kader van het project
terugkeer) dan wel daarin terecht zijn gekomen in de loop van 2006 in
onmiddellijke aansluiting op hun uitstroom uit het project terugkeer bedoeld
onder c, dan wel;
e. op grond van de oude vreemdelingenwet in het kader van het categoriale
beschermingsbeleid of op medische gronden een tijdelijke verblijfsvergunning
hadden verkregen, welke nog niet was ingetrokken op 13 december 2006.
Deze regeling is gekoppeld aan de volgende afspraken:
a. Juridische verankering die beroep op vergelijkbaarheid van andere gevallen
en hernieuwde instroom van MOB-ers uitsluit.
b. Overeenstemming bereiken met VNG over huisvesting en integratie van de
toegelaten personen alsmede over het verlenen van medewerking aan uitvoering
van de Vw 2000 inclusief terugkeer.
c. Overeenstemming met de VNG over het niet verlenen van opvang voor
asielzoekers die uitgeprocedeerd zijn onder het regime van de
vreemdelingenwet alsmede voor personen die niet onder bovenvermelde regeling
vallen.
d. Toelatingsprocedure asiel verbeteren naar aanleiding van evaluatie
Vreemdelingenwet 2000.
e. Nieuwe achterstanden met kracht tegengaan.
9. De Dienst Terugkeer en Vertrek begint in overeenstemming met de planning
in de eerste helft van 2007 met zijn werkzaamheden.
De doelstelling is een verbetering van het structureel begrotingstekort in
2007 van -0,2% BBP naar een structureel overschot in 2011 +1,0% BBP (=
feitelijk overschot van +1,1%). De investeringsagenda beloopt 10 miljard
euro, waarvan 3 miljard lastenverlichting en 7 miljard intensiveringen voor
de zes pijlers.
Daarvoor zijn in het bijzonder door de lasten op milieuvervuiling te verhogen
en door meer efficiency, 8½ miljard aan besparingen bereikt. Aan de
betaalbaarheid van de collectieve voorzieningen voor de toekomst wordt een
substantiële bijdrage geleverd.
Het Financieel kader is gebaseerd op de huidige begrotingsspelregels bij
een trendmatige raming van de economische groei van 2% [Noot 3] (het
gemiddelde van de potentiële groeiraming van 2¼% en de behoedzame groeiraming
van 1¾%).
De zogenoemde signaalwaarde (waarbij in het kader van de EMU maatregelen
worden genomen bij onverhoopte tegenvallers) wordt aangescherpt tot -2%.
[Noot 3: De vorige kabinetsperiode was de groeiraming in het hoofdlijnenakkoord 2¼%.]
a. Het budgettaire beleid creëert de randvoorwaarden om maatschappelijke
ambities, nu en in de toekomst, te kunnen verwezenlijken. Het vormt daarmee
tevens de basis voor de investeringsagenda die wordt uitgewerkt in de
begrotingen 2008 - 2011.
b. Uitgangspunten bij het budgettaire beleid zijn toekomstbestendigheid,
economische stabiliteit, verbetering structurele groei, bestuurlijke rust,
duidelijkheid vooraf en eenvoud. Door deze zekerheden wordt ook bijgedragen
aan vertrouwen van burgers en bedrijven in de door de overheid gevoerde
politiek.
c. Er wordt voortgebouwd op de budgettaire regels die de afgelopen 12 jaar
zijn ontwikkeld. Net als bij afgelopen kabinetsperiodes worden daarbij enkele
kleinere verbeteringen voorgesteld.
d. Bij de timing van de uitgaven en lasten binnen de kabinetsperiode wordt er
rekening mee gehouden dat het kabinet in een conjunctureel relatief gunstige
situatie start.
e. Uitgangspunt voor de aanwending van middelen die vrijkomen uit ombuigingen
en lastenverschuiving is het investeren in economische groei,
arbeidsparticipatie, sociale samenhang en duurzaamheid gericht op versterking
van economische groei en structuur binnen het kader van een evenwichtig
koopkrachtbeeld.
a. Uitgangspunt is een feitelijk overschot van 1,1% in 2011, en een raming
van de economische groei van 2%, waarbij gestreefd wordt ieder jaar het
EMU-saldo te verbeteren ten opzichte van voorgaand jaar.
b. Daarnaast zal een zodanig beleid worden ingezet dat maatregelen ook na
2011 bijdragen aan het opvangen van de kosten van vergrijzing. Uitgangspunt
is om op die wijze een derde van het zogenoemde houdbaarheidstekort op te
vangen. In drie periodes, dat wil zeggen voor 2020, worden dan houdbare
overheidsfinanciën bereikt.
Conform de huidige praktijk zullen (reële) uitgavenkaders worden opgesteld voor de rijksbegroting, sociale zekerheid en zorg. Rente-uitgaven zullen buiten de kaders worden gehouden omdat het kader hierdoor minder cyclisch wordt en omdat rentemeevallers dan automatisch aan de toekomstbestendigheid van de overheidsfinanciën bijdragen.
a. Eveneens wordt een lastenkader opgesteld. Hier werken de automatische
stabilisatoren.
b. Uitgangspunt voor het lastenkader is dat zowel burgers als bedrijven [Noot
4] minimaal gevrijwaard blijven van per saldo [Noot 5] lastenverzwaringen
(ten opzichte van het 'basispad').
c. Binnen de lasten vinden verschuivingen plaats met het oog op vergroening,
inkomensontwikkeling en arbeidsparticipatie.
[Noot 4: Mocht door de EU de rente- en of R&D-box uit Werken aan winst
niet doorgaan, dan blijft dit bedrag voor bedrijven beschikbaar.]
[Noot 5: Woningbouwcorporaties en de verschuiving van de TBU naar de WMO
worden hierbij buiten beschouwing gelaten.]
a. Meevallers onder het uitgavenkader mogen in principe worden aangewend
voor andere uitgaven, rekening houdend met de aard van de meevallers
(conjunctureel/structureel) en de aard van de aanwending
(tijdelijk/structureel). Tegenvallers in een kader, worden binnen dat kader
opgevangen. Voor het uitgavenkader van de rijksbegroting gelden daarenboven
de regels budgetdiscipline (noot: rente buiten kader, dus rente meevallers
ten gunste van schuldreductie)
b. Aangescherpte signaalwaarde: Bij een tekort van 2% (de vorige
kabinetsperiode was deze waarde -2½%) van het feitelijk EMU-saldo worden de
noodzakelijke maatregelen getroffen om een verdere verslechtering van de
overheidsfinanciën te voorkomen.
Uitgangspunt is om lastendekkende premies te realiseren waarbij - met inachtneming van een ook na te streven evenwichtig inkomensbeeld - rekening wordt gehouden met het afbouwen van bestaande vermogenssaldi die uitgaan boven wat nodig is om een redelijke buffer te vormen tegen onverhoopte tegenvallers.
a. Ons aardgas is ondergronds vermogen dat moet worden aangewend voor
bovengronds vermogen. De huidige FES-criteria en toewijzingsprocedure worden
gehandhaafd.
b. De aardgasbaten zullen na 2025 opdrogen, maar Nederland zal ook na 2025
ambities hebben op het gebied van FES-waardige investeringen. Er zal een
nieuwe voedings- en uitgavensystematiek worden geformuleerd met meer
stabiliteit (vaste voeding) en goede criteria gericht op investeringen die de
economische structuur versterken (waarbij overwogen worden: infrastructuur,
kennis en innovatie, duurzame energie, waterbeheersing, ruimtelijke
investeringen). Een mogelijke invulling is de aardgasbaten aan te wenden voor
schuldreductie en met de hieruit voortvloeiende rentevrijval het FES te
voeden.
| (in mld euro) | 2011 | |
|
Ex ante ruimte bij 2% trendmatige groei |
8 mld |
|
| Lastenverzwaringen |
2½ mld |
|
| Ombuigingen |
6 mld |
|
| Totaal |
16½ mld |
|
| Lastenverlichtingen | 3 mld | |
| Investeringsagenda, waarvan minimaal 500 mln FES waardig | 7 mld | |
| Ten gunste van EMU-saldo 2011 | 6½ mld | |
| Totaal | 16½ mld | |
| Bijdrage aan de lange termijn houdbare financiën en collectieve voorzieningen | 0,7% BBP | |
| Structureel EMU overschot 2011 | 1,0% BBP | |
|
Feitelijk EMU-overschot 2011
|
|
1,1% BBP
|
Het financieel kader wordt op basis van de specificatie (11) uitgewerkt op het niveau van de afzonderlijke begrotingen bij de Miljoenennota 2008. De ombuigingen worden dan toegedeeld aan de begrotingen, de intensiveringen worden nader uitgewerkt in enveloppen op een aanvullende post van de Miljoenennota gereserveerd. Er zal dan worden omschreven onder welke condities en in welk tempo en welke fasering de enveloppen worden vrijgegeven, waarbij gestreefd wordt ieder jaar het EMU-saldo te verbeteren ten opzichte van voorgaand jaar (beginstand 2007: tekort -0,2% BBP). De lasten zullen in de Miljoenennota 2008 definitief worden ingevuld.
|
|
2011 |
| Pijler 1: Nederland in Europa en in de wereld | 400 miljoen |
| Pijler 2: een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie | 1775 miljoen |
| Pijler 3: een duurzame leefomgeving | 900 miljoen |
| Pijler 4: Sociale samenhang | 2500 miljoen |
| Pijler 5: Veiligheid, stabiliteit en respect | 700 miljoen |
| Pijler 6: Overheid als bondgenoot - een dienstbare publieke sector | 725 miljoen |
| Enveloppe lastenverlichting voor arbeidsparticipatie | 1200 miljoen |
| Enveloppe lastenverlichting voor economische structuurversterking | 500 miljoen |
| Enveloppe lastenverlichting voor kinderen, jeugd en gezin | 500 miljoen |
|
Enveloppe lastenverlichting voor koopkrachtondersteuning
|
800 miljoen
|
|
|
|
|
|
10 miljard
|
Onderstaande maatregelen, gericht op bevorderen van arbeidsparticipatie, een verantwoorde ontwikkeling van de zorg, vernieuwing van zorgconcepten en verbreding van het financieel draagvlak voor collectieve voorzieningen, dragen bij aan de lange termijn houdbaarheid van collectieve voorzieningen en van de overheidsfinanciën.
| Lange termijn 'Vergrijzingopgave' van 1½ à 2½% BBP (volgens CPB). In deze kabinetsperiode daarvan 1/3e te doen. | |
| a. Effectievere vormgeving arbeidskorting (EITC, combikorting, etc.) | 0,10% |
| b. Aanpassing overdraagbaarheid algemene heffingskorting | 0,25% |
| c. Bevordering arbeidsparticipatie 63 jaar en ouder, vergroten houdbaarheid aow | 0,20% |
| d. Verantwoorde ontwikkeling zorg en vernieuwing zorgconcepten | 0,15% |
| Totaal | 0,7% BBP |
In de hoofdtekst is dit beleid onder de pijlers sociale samenhang en dienstbare publieke sector verwoord, respectievelijk toegelicht.
| (in miljarden euro) | 2011 |
|
|
|
| Pijler 1: een actieve en constructieve rol van Nederland in Europa en in de wereld | 400 mln |
| Defensie + vredesoperaties (HGIS) | 200 mln |
| Internationale samenwerking (ODA) | 200 mln |
| Pijler 2: een innovatieve, concurrerende en ondernemende economie | 1775 mln |
| Onderwijs | 1000 mln |
| Bedrag per leerling MBO | 25 mln |
| Innovatie, kennis en onderzoek | 300 mln |
| Ondernemerschap | 200 mln |
| Infra en (vaar)wegen | 100 mln |
| Regionaal economisch beleid (w.o. bereikbaarheid) | 100 mln |
| Aandeel Provinciefonds in regionaal economisch beleid | 50 mln |
| Pijler 3: een duurzame leefomgeving | 900 mln |
| Energie | 500 mln |
| Water en kust | 150 mln |
| Natuur, EHS en vitaal platteland (incl. dierenwelzijn) | 100 mln |
| Aandeel Provinciefonds in EHS en vitaal en veelzijdig platteland | 50 mln |
| Openbaar vervoer | 100 mln |
| Pijler 4: Sociale samenhang | 2500 mln |
| Investeren in wijkaanpak (*) | 400 mln |
| Integratie | 200 mln |
| Participatie arbeid, onderkant arbeidsmarkt, armoedebeleid | 280 mln |
| Kinderopvang | 700 mln |
| WAO - WIA | 520 mln |
| Jeugd en Gezin | 400 mln |
| Pijler 5: Veiligheid, stabiliteit en respect | 700 mln |
| Capaciteit veiligheidsketen | 400 mln |
| Preventie c.a. (w.o. campussen) | 150 mln |
| Aandeel Gemeentefonds in lokale veiligheid | 150 mln |
| Pijler 6: Overheid als bondgenoot - een dienstbare publieke sector | 725 mln |
| Zorg (pakket, verpleeghuizen) | 500 mln |
| Publieke omroep (inclusief media educatie) | 100 mln |
| Cultuur en monumenten | 100 mln |
| Sport | 20 mln |
| Overig Gemeentefonds en Provinciefonds(*) | 5 mln |
| 7 mld |
(*) Het totale aandeel op grond van de evenredigheidssystematiek is ongeveer 0,65 mld. Met de gemeenten zullen bestuurlijke afspraken worden gemaakt over de inzet van deze intensivering langs de in de tabel opgenomen lijnen.
|
(in miljarden euro) |
2011 |
| Efficiency Rijksdienst [6] | 0,75 |
| Af: flankerend beleid, investeringen, algemeen regeringsbeleid | -0,16 |
| Efficiency uitvoering SZ en re-integratiebudget | 0,48 |
| WW-premiedifferentiatie (middel)grote ondernemingen (volume effect) | 0,10 |
| Beheersing zorgkosten (BKZ; zie hoofdtekst) | 0,50 |
| Overhevelen TBU naar WMO [7] | 0,40 |
| Beperken subsidies | 0,25 |
| Inlopen vermogensoverschotten provincies [8] | 0,20 |
| Woningbouwcorporaties ten behoeve van wijkaanpak [9] | 0,75 |
| Bijstand vanaf 27 jaar [10] | 0,25 |
| Aanpak fraude, verhogen boetes, alimentatieverhaal | 0,34 |
| Verkoop gebouwen en gronden domeinen en defensie [11] | 0,20 |
| Diversen efficiency [12] | 0,62 |
| Dekking boedelbrief Financiën [13] | 0,81 |
| Evenredig aandeel Gemeentefonds en Provinciefonds [14] | 0,55 |
| Vliegticketbelasting (exclusief transfer) | 0,35 |
| Milieudifferentiatie BPM schoon en zuinig | 0,15 |
| Taakstellende verhoging milieuonvriendelijke energie en brandstof | 0,35 |
| Verpakkingenbelasting | 0,25 |
| Verhoging accijns op alcohol en tabak | 0,20 |
| BTW kermissen e.a. attracties van verlaagd naar normaal niveau | 0,10 |
|
Constant houden algemene heffingskorting |
1,20 |
|
Totaal |
8½ |
[Noot 6: Conform SGO voorstel (met
programma SG die aan MP en vice MP's rapporteert), inclusief flankerend
beleid en investeringen (daalt structureel naar 0, zodat structurele
opbrengst per saldo stijg naar ¾ mld). In het SGO voorstel zijn OM, ZM en GW
uitgezonderd alsmede de niet tot rijksdienst en ZBO's behorende sectoren als
onderwijsinstellingen.]
[Noot 7: In MLO definitie van CPB een lastenschuif. Zie aansluittabel.]
[Noot 8: Meerjarig incidentele opbrengst, bijvoorkeur via bestuurlijke
afspraak aan te wenden voor investeringen in EHS, vitaal platteland en
bereikbaarheid.]
[Noot 9: Vormgeving nader te bezien; in afwachting daarvan wordt een heffing
verondersteld (en daardoor in CPB-termen een MLO-relevante mutatie; zie
aansluittabel).]
[Noot 10: Dit impliceert dat jonge mensen werken of leren. Deze besparing is
netto, dus na aftrek van (extra) kosten voor leren en
inkomensvoorzieningen.]
[Noot 11: Een meerjarig incidentele opbrengst waartegenover de
intensiveringen bij pijler 1 eveneens beperkt blijven tot en met 2011.]
[Noot 12: Optelling van een reeks aan concrete maatregelen. Zie
bijlage.]
[Noot 13: De minister van Financiën heeft op verzoek van de informateur aan
de fracties bekend gemaakt welke onvermijdelijke budgettaire uitgaven nog
niet zijn gedekt. Het Centraal Planbureau heeft deze tegenvallers opgenomen
in zijn budgettaire beeld. Het - taakstellend - oplossen door de ministeries
van hun eigen tegenvallers, levert daardoor een besparing op. Ministers /
ministeries mogen de ter dekking van de boedelbrief benodigde besparingen
niet in minder brengen van de intensivering voor de zes pijlers uit dit
coalitieakkoord.]
[Noot 14: Tegenover dit evenredig aandeel in de ombuigingen, conform de 'trap
op, trap af systematiek', staat ook bij de intensiveringen een evenredig
aandeel voor het Gemeentefonds en voor het Provinciefonds. Deze zijn
tentatief toegedeeld.]
|
(in mln €) |
2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | struct |
| Ombuigingen | ||||||
| Efficiency Rijksdienst (SGO voorstel) | ||||||
| a. Efficiency 5% rijk, zbo's en hoge colleges | -41 | -82 | -162 | -315 | -315 | |
| b. Beleidskernen departementen (gericht) | -19 | -38 | -75 | -150 | -150 | |
| c. Kennisfunctie en adviesraden | -2 | -4 | -8 | -15 | -15 | |
| d. Staf en ondersteuning ministeries | -8 | -17 | -35 | -70 | -70 | |
| e. Inspecties en toezicht | -8 | -17 | -35 | -70 | -70 | |
| f. Uitvoering van beleid | -15 | -30 | -60 | -130 | -130 | |
| g. Flankerend beleid, aanpassingskosten en ICT | 25 | 75 | 100 | 150 | 150 | 0 |
| i. Coordinatie algemeen regeringsbeleid (az) | 5 | 10 | 10 | 10 | 10 | 5 |
| Efficiency uitvoering SZ/re-integratie | ||||||
| a. Prestatieplannen CWI/UWV/genmeenten (cf pt 9/10 p 25) | 50 | -74 | -136 | -180 | -190 | |
| b. Korting flexibel re-integratiebudget gemeenten | -50 | -100 | -200 | -300 | -300 | |
| WW premiedifferentiatie | -100 | -100 | -100 | -100 | -100 | |
| Beheersing zorgkosten (BKZ) | -500 | -500 | -500 | -500 | -500 | |
| Overhevelen TBU naar WMO | -400 | -400 | -400 | -400 | -400 | |
| Beperken subsidies | -62 | -125 | -250 | -250 | -250 | |
| Inlopen vermogensoverschotten provincies tbv EHS (3) | -200 | -200 | -200 | -200 | ||
| Woningbouwcorporaties tbv wijken (2) | -750 | -750 | -750 | -750 | -750 | |
| Bijstand vanaf 27 jaar | 0 | -95 | -220 | -250 | -250 | |
| Aanpak fraude, verhogen boetes, aliment. | ||||||
| Beleidsmatige verhoging boeten en transacties | -90 | -90 | -90 | -90 | -90 | |
| Alimentatie: verhaal werkgever | -20 | -40 | -40 | -40 | -40 | |
| Intensivering fraudebestrijding door koppeling bestanden en meer veiligheid | -30 | -60 | -110 | -110 | ||
| Boetebeleid: naar high trust (o.a. Nma, Opta) | -25 | -50 | -75 | -100 | -100 | |
| Verkoop gebouwen en gronden domeinen en defensie (3) | -120 | -120 | -200 | -200 | 0 | |
| Fusieprikkels VO | -28 | -84 | -84 | -84 | -84 | |
| Samenwerking bedrijfsvoering politie | -25 | -50 | -75 | -100 | -100 | |
| Teldatum MBO | -52 | -155 | -155 | -155 | -155 | |
| Profijtbeginsel cultuur | -15 | -20 | -35 | -50 | -50 | |
| Meerpersoonscelgebruik | -25 | -50 | -50 | -50 | -50 | |
| Dekking Boedelbrief Financien | -827 | -667 | -694 | -743 | -808 | -808 |
| BDU uitkering indexeren op 1% ipv 2% | -80 | -80 | -80 | -80 | -80 | |
| Verzekeringsstelsel rechtsbijstand | -25 | -50 | -50 | -50 | -50 | |
| Rente op nieuwe projecten op 6,5% | -50 | -50 | -50 | -50 | -50 | |
| Evenredig aandeel GF/PF | -350 | -400 | -500 | -550 | -450 | |
| Totaal | -797 | -3592 | -4385 | -5258 | -6037 | -5702 |
|
(in mln €) |
2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | struct |
| Intensiveringen | ||||||
|
Pijler 1: actieve en constructieve rol van Nederland in Europa en in de wereld |
|
|
|
|
|
|
| Defensie + vredesoperaties (HGIS) | 50 | 100 | 150 | 200 | 0 | |
| Internationale samenwerking (ODA) | 50 | 100 | 150 | 200 | 0 | |
| 100 | 200 | 300 | 400 | 0 | ||
| Pijler 2: innovatieve, concurrerende en ondernemende economie | ||||||
| Onderwijs | 250 | 500 | 750 | 1000 | 1000 | |
| Bedrag per leerling MBO | 8 | 25 | 25 | 25 | 25 | |
| Innovatie, kennis en onderzoek | 75 | 150 | 225 | 300 | 300 | |
| Ondernemerschap | 50 | 75 | 100 | 200 | 200 | |
| Infra en wegen | 25 | 50 | 75 | 100 | 100 | |
| Regionaal economisch beleid (w.o. bereikbaarheid) | 25 | 50 | 75 | 100 | 100 | |
| Aandeel PF in regionaal economisch beleid | 0 | 25 | 25 | 50 | 0 | |
| 433 | 875 | 1275 | 1775 | 1725 | ||
| Pijler 3: een duurzame leefomgeving | ||||||
| Energie | 125 | 250 | 375 | 500 | 500 | |
| Water en kust | 50 | 75 | 100 | 150 | 150 | |
| Natuur, EHS en vitaal platteland (incl dierenwelzijn) | 25 | 50 | 75 | 100 | 100 | |
| Aandeel PF in EHS en vitaal platteland | 15 | 20 | 35 | 50 | 0 | |
| Openbaar Vervoer | 25 | 50 | 75 | 100 | 100 | |
| 240 | 445 | 660 | 900 | 850 | ||
| Pijler 4: sociale samenhang | ||||||
| Investeren in wijkaanpak via GF | 100 | 200 | 300 | 400 | 0 | |
| Integratie | 50 | 100 | 150 | 200 | 200 | |
| Participatie arbeid, onderkant arbeidsmarkt en armoedebeleid | 15 | 75 | 215 | 280 | 280 | |
| Kinderopvang | 175 | 350 | 525 | 700 | 700 | |
| WAO - WIA - brugbanen | 680 | 665 | 655 | 565 | 520 | 375 |
| Jeugd en Gezin | 100 | 200 | 300 | 400 | 400 | |
| 1105 | 1580 | 2055 | 2500 | 1955 | ||
| Pijler 5: veiligheid, stabiliteit en respect | ||||||
| Capaciteit veiligheidsketen | 100 | 200 | 300 | 400 | 400 | |
| Preventie c.a. (w.o. campussen) | 50 | 75 | 100 | 150 | 150 | |
| Aandeel GF in lokale veiligheid (w.o. buurtbudgetten) | 50 | 75 | 100 | 150 | 0 | |
| 200 | 350 | 500 | 700 | 550 | ||
| Pijler 6: overheid als bondgenoot en een dienstbare publieke sector | ||||||
| Zorg (pakket, verpleeghuizen) | 500 | 500 | 500 | 500 | 500 | |
| Publieke omroep (inclusief media educatie) | 50 | 50 | 50 | 100 | 100 | |
| Cultuur en monumenten | 25 | 50 | 75 | 100 | 100 | |
| Sport | 10 | 20 | 20 | 20 | 20 | |
| Overig GF/PF | 0 | 0 | 0 | 5 | 0 | |
| 585 | 620 | 645 | 725 | 720 | ||
| Totaal | 680 | 2663 | 4070 | 5435 | 7000 | 5800 |
| w.v. aandeel GF/PF | 165 | 320 | 460 | 655 | 0 | |
|
(in mln €) |
2007 | 2008 | 2009 | 2010 | 2011 | struct |
| Lastenverzwaringen | ||||||
| Vliegticketbelasting (exclusief transfer) | -350 | -350 | -350 | -350 | -350 | |
| Milieudifferentiatie BPM schoon en zuinig | -150 | -150 | -150 | -150 | -150 | |
| Taakstellende verhoging milieuonvr. energie | -350 | -350 | -350 | -350 | -350 | |
| Verpakkingenbelasting | -250 | -250 | -250 | -250 | -250 | |
| Accijns alcohol en tabak | -200 | -200 | -200 | -200 | -200 | |
| BTW kermissen e.a. attracties | -100 | -100 | -100 | -100 | -100 | |
| Bevriezen algemene heffingskorting | -300 | -600 | -900 | -1200 | -1200 | |
| Totaal | 0 | -1700 | -2000 | -2300 | -2600 | -2600 |
| Lastenverlichtingen | ||||||
| Enveloppe arbeidsparticipatie | 300 | 600 | 1200 | 1200 | ||
| Enveloppe economische structuur versterking | 125 | 250 | 500 | 500 | ||
| Enveloppe kinderen, jeugd en gezin | 125 | 250 | 500 | 500 | ||
| Enveloppe koopkracht, inclusief huur- en zorgtoeslag | 200 | 400 | 800 | 800 | ||
| Totaal | 0 | 0 | 750 | 1500 | 3000 | 3000 |
| Saldo belastend / ontlastend | -117 | -2629 | -1565 | -623 | 1363 | 498 |
(1) Ten behoeve van meerjarige incidentele investeringen EHS en vitaal
platteland, energie en regionale bereikbaarheid. Communicerend vat.
(2) Convenant met als communicerend vat even hoge (meerjarig incidentele)
intensiveringen voor de wjkaanpak. Indien geen convenant, dan structurele
heffing.
(3) Ten behoeve van (meerjarig incidentele) invensteringen defensie
(communicerend vat)